|
Ingeperkt
gebruik van GGO's en pathogenen
Indeling van GGM's in risicoklasse 1
(Laatste herziening: 4 juni
2004)

Indelingscriteria op basis waarvan GGM's kunnen worden beschouwd als
behorend tot risicoklasse 1
(onverminderd de eventuele bepalingen in toepassing in de besluiten
betreffende het ingeperkt gebruik van GGO's en pathogenen in het Vlaams Gewest,
in het Brussels Hoofdstedelijke
Gewest en in het Waals Gewest)
Een genetisch gemodificeerd micro-organisme mag beschouwd worden als behorend
tot risicoklasse 1 van ingeperkt gebruik indien het volgende kenmerken draagt
:
i) het recipiënte of
ouder-micro-organisme mag geen ziekten veroorzaken bij de mens, dieren
of planten;
ii) de aard van de vector en van het insert dient zodanig te zijn dat deze
het GGM geen fenotype verlenen waarvan het waarschijnlijk is dat dit ziekten
bij de mens, dieren of planten veroorzaakt of schadelijke effecten heeft
op het milieu;
iii) het genetisch gemodificeerd micro-organisme mag geen ziekten veroorzaken
bij de mens, dieren of planten of schadelijke effecten hebben op het milieu.
Voor de interpretatie van deze drie vooropgestelde indelingscriteria worden
de hiernavolgende richtsnoeren gebruikt :
1) De criteria i) tot iii) hebben betrekking op immunocompetente mensen en
gezonde dieren of planten.
2) Met betrekking tot criterium i) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
a) bij het vaststellen
of het recipiënte of ouder-micro-organisme in staat
is ziekten te veroorzaken bij dieren of planten of schadelijke effecten heeft
op het milieu, moet het leefmilieu in acht genomen worden dat vermoedelijk
wordt blootgesteld aan dit GGM;
b) niet-virulente stammen van erkende pathogene soorten kunnen beschouwd
worden als onwaarschijnlijk voor het veroorzaken van ziekten en dus voldoen
aan criterium i) op voorwaarde dat :
i) de niet-virulente stam een voorgeschiedenis heeft van een vaststaand
veilig gebruik in het laboratorium en/of de industrie en geen negatieve
impact heeft op de gezondheid van de mens, van dier- en plantensoorten;
en/of
ii) de stam onomkeerbaar deficiënt is in genetisch materiaal dat de virulentie
bepaalt, of stabiele mutaties draagt die de virulentie voldoende verminderen.
Indien het niet van wezenlijk belang is alle virulentiedeterminanten van
een pathogeen te verwijderen, moet speciale aandacht worden besteed aan
genen die voor toxines coderen en aan virulentie-determinanten die gecodeerd
worden door plasmiden of fagen. In deze omstandigheden is een geval per
geval beoordeling noodzakelijk.
c) de gastheer- of ouderstam/cellijn
mag geen gekende contaminerende biologische agentia bevatten (symbionten,
mycoplasmen, virussen, viroïden, enz.) die
potentieel schadelijk zijn.
3) Met betrekking tot critrerium ii), worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
a) de vector/het insert mag geen genen bevatten die coderen voor een actief
eiwit of transcript (bijvoorbeeld virulentiedeterminanten, toxines, enz....)
in een hoeveelheid of onder een zodanige vorm dat dit het genetisch gemodificeerd
micro-organisme belast met een fenotype dat in staat is ziekten te veroorzaken
bij de mens, dieren of planten.
In ieder geval, indien de vector/het insert sequenties bevat die schadelijke
eigenschappen tot expressie kunnen brengen in sommige micro-organismen, maar
die anderzijds het micro-organisme niet belasten met een fenotype dat in
staat is ziekten te veroorzaken bij de mens, dieren of planten, mag de vector/het
insert niet zelf- overdraagbaar zijn en moet deze/dit moeilijk te mobiliseren
zijn;
b) bij activiteiten van ingeperkt gebruik op grote schaal moeten volgende
punten in acht worden genomen :
- vectoren mogen niet zelf-overdraagbaar zijn, noch bestaan uit functionele
overdraagbare sequenties; zij moeten weinig mobiliseerbaar zijn,
- om te beslissen of een vector/insert het genetisch gemodificeerd micro-organisme
belast met een fenotype dat in staat is ziekten te veroorzaken bij de mens,
dieren of planten, of schadelijke effecten heeft op het milieu, is het belangrijk
om ervoor te zorgen dat de vector of het insert goed gekarakteriseerd is
of dat de grootte ervan zoveel mogelijk beperkt blijft tot de genetische
sequenties die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de nagestreefde
functie.
4) Met betrekking tot criterium iii), worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
a) bij het vaststellen of het genetisch gemodificeerd micro-organisme in
staat is ziekten te veroorzaken bij dieren of planten of schadelijke effecten
heeft op het milieu, moet het leefmilieu in acht genomen worden dat vermoedelijk
wordt blootgesteld aan dit GGM;
b) bij activiteiten van ingeperkt gebruik op grote schaal moeten, naast criterium
iii), ook volgende punten in acht genomen worden :
- het genetisch gemodificeerde micro-organisme mag geen resistentiemerkers
overdragen op micro-organismen of organismen, indien dergelijke overdracht
de ziektebehandeling zou benadelen;
- het genetisch gemodificeerde micro-organisme moet in de inrichting even
veilig zijn als het gastheer- of oudermicro-organisme of organisme of eigenschappen
bezitten die zijn overleving en genenoverdracht beperken;
- het genetisch gemodificeerde micro-organisme mag niet sporulerend zijn
of zijn sporulatiemechanisme moet zodanig gewijzigd zijn dat zijn sporulatiecapaciteit
maximaal beperkt is of zijn sporulatiefrequentie tot een minimum herleid
is.
c) andere GGM's die kunnen ondergebracht worden in risicoklasse 1, op voorwaarde
dat zij geen ongewenste effecten hebben op het leefmilieu en voldoen aan
de vereisten van punt i), zijn diegenen die opgebouwd zijn uitgaande van één
enkel prokaryoot gastheerorganisme (met inbegrip van zijn eigen plasmiden,
transposons en virussen), of uitgaande van één enkel eukaryoot gastheerorganisme
(met inbegrip van zijn chloroplasten, mitochondria, plasmiden, maar met uitsluiting
van virussen), of volledig bestaan uit genensequenties afkomstig van verschillende
soorten die deze sequenties uitwisselen via gekende fysiologische processen.
Vooraleer te beslissen of deze MGM's kunnen ondergebracht worden in riscoklasse
1, moet worden nagegaan of ze vrijgesteld kunnen worden, op basis van de bepalingen
betreffende zelfklonering, van de toepassing van de besluiten betreffende
het ingeperkt gebruik van GGO's en pathogenen in het Vlaams Gewest,
in het Brussels Hoofdstedelijke
Gewest en in het Waals Gewest,
rekening houden met het feit dat zelfklonering
wil zeggen het verwijderen van nucleïnezuursequenties uit een cel
van een organisme, al dan niet gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur
of een deel daarvan (of een synthetisch equivalent) - eventueel na een aantal
voorafgaande enzymatische of mechanische bewerkingen - in cellen van dezelfde
soort of cellen van een fylogenetisch nauw verwante soort waarmee eerstgenoemde
soort genetisch materiaal kan uitwisselen door middel van bekende fysiologische
processen, voorzover het onwaarschijnlijk mag worden geacht dat het resulterende
micro-organisme of organisme een ziekte kan verwekken bij mens, dier of plant.
|