|
Ingeperkt
gebruik van GGO's en pathogenen
Indeling van transgene planten in risicoklasse
1
(Laatste
herziening: 4 juni 2004)

Indelingscriteria op basis waarvan transgene planten kunnen worden
beschouwd als behorend tot risicoklasse 1
(onverminderd de eventuele bepalingen in toepassing in de besluiten
betreffende het ingeperkt gebruik van GGO's en pathogenen in het Vlaams Gewest,
in het Brussels Hoofdstedelijke
Gewest en in het Waals Gewest)
Een genetisch gemodificeerde of transgene plant wordt beschouwd als behorend
tot risicoklasse 1 van ingeperkt gebruik indien zij volgende kenmerken vertoont
:
i) de ouder- of gastheerplant is niet schadelijk voor de mens, voor dieren
of planten en/of heeft geen nadelige effecten op het leefmilieu.
ii) de vector en het insert moeten van die aard zijn dat ze de transgene
plant
- niet belasten met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, voor dieren
of planten,
en/of
- niet belasten met een fenotype dat nadelig is voor het leefmilieu,
en/of
- geen selectieve voordelen geven t.o.v. de ouder- of gastheerplant indien
deze in staat is zich te verspreiden en/of te vestigen in het leefmilieu;
iii) het genetisch materiaal dat in de plant ingebracht wordt moet in het
genoom (op niveau van de nucleus, chloroplasten, mitochondriën) worden opgenomen;
iv) de transgene plant
- mag niet schadelijk zijn voor de mens, voor dieren of planten,
en/of
- nadelig zijn voor het leefmilieu,
en/of
- selectieve voordelen hebben t.o.v. de ouder- of gastheerplant indien deze
in staat is zich te verspreiden en/of te vestigen in het leefmilieu;
Voor de interpretatie van deze vier vooropgestelde criteria worden de hiernavolgende
richtsnoeren gebruikt :
1) Met betrekking tot de
criteria i), ii) en iv) verwijst de term « leefmilieu » naar
het leefmilieu dat in het kader van de geplande activiteiten vemoedelijk kan
blootgesteld worden aan de transgene plant of aan zijn voortplantingsorganen.
2) Met betrekking tot criterium i) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
planten afkomstig van species die schadelijk zijn voor de mens, voor dier-
of plantensoorten of nadelige effecten kunnen hebben op het leefmilieu, maar
die zelf dit schadelijk of nadelig karakter verloren hebben, kunnen voldoen
aan criterium i) op voorwaarde :
i) dat de plant een voorgeschiedenis heeft van een vaststaand veilig gebruik
in het laboratorium en/of de industrie en/of landbouw en geen schadelijk
effect heeft op de mens, op dieren of planten of geen nadelige effecten heeft
op het leefmilieu
en/of
ii) dat de plant onomkeerbaar deficiënt is in genetisch materiaal dat zijn
schadelijk of nadelig karakter bepaalt of stabiele mutaties draagt die dit
kenmerk voldoende reduceren.
3) Met betrekking tot criterium ii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
De vector/het insert mag geen genen bevatten die coderen voor een actief eiwit
of transcript (bijvoorbeeld toxines, enz.) in een hoeveelheid of onder een
zodanige vorm dat dit de transgene plant belast met een fenotype dat schadelijk
is voor de mens, dier- of plantensoorten, of met een fenotype dat nadelige
effecten heeft op het leefmilieu.
In ieder geval, indien de vector/ het insert sequenties bevat die betrokken
zijn bij de expressie van schadelijke of nadelige eigenschappen in sommige
organismen, maar die anderzijds de transgene plant niet belasten met een fenotype
dat schadelijk is voor de mens, voor dier- of plantensoorten of nadelige effecten
kan hebben op het leefmilieu, mag de transgene plant niet in staat zijn zich
te verspreiden en/of te vestigen in het leefmilieu.
4) Met betrekking tot criterium iii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
a) de subcellulaire lokalisatie
van het ingebrachte genetisch materiaal moet gekend zijn (op niveau van
de nucleus, chloroplasten, mitochondriën);
b) bij activiteiten van ingeperkt gebruik op grote schaal moet het ingebrachte
genetisch materiaal goed gekarakteriseerd zijn (aantal geïntegreerde kopieën,
grootte en structuur van het insert,...). Elk van deze nieuw ingebrachte
functionele genetische elementen zou op stabiele wijze moeten worden geïntegreerd
in het genoom van de plant (op niveau van de nucleus, chloroplasten, mitochondriën).
5) Met betrekking tot criterium iv) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren
nageleefd :
a) bij activiteiten van ingeperkt gebruik op grote schaal moet, naast criterium
iv), ook het volgende punt in acht genomen worden :
- de transgene plant moet in de inrichting even veilig zijn als de gastheer-
of ouderplant, of eigenschappen bezitten die zijn overleving en verspreiding
in het leefmilieu beperken.
b) andere transgene planten die ondergebracht kunnen worden in risicoklasse
1, op voorwaarde dat zij geen ongewenste effecten hebben op het leefmilieu
en voldoen aan de vereisten van punt i), zijn diegenen die opgebouwd zijn
uitgaande van één enkel eukaryoot gastheerorganisme (met inbegrip van zijn
chloroplasten, mitochondria, plasmiden, maar met uitzondering van virussen),
of volledig bestaan uit gensequenties afkomstig van verschillende soorten
die deze sequenties uitwisselen via gekende fysiologische processen.
Vooraleer te beslissen of deze transgene planten kunnen ondergebracht worden
in riscoklasse 1, moet worden nagegaan of ze vrijgesteld kunnen worden, op
basis van de bepalingen
betreffende zelfklonering, van de toepassing van de besluiten betreffende het
ingeperkt gebruik van GGO's en pathogenen in het Vlaams Gewest, in het Brussels
Hoofdstedelijke Gewest en in het Waals
Gewest, rekening houden met het feit dat zelfklonering wil zeggen het verwijderen
van nucleïnezuursequenties uit een cel van een organisme, al dan niet
gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur of een deel daarvan
(of een synthetisch equivalent) - eventueel na een aantal voorafgaande enzymatische
of mechanische bewerkingen - in cellen van dezelfde soort of cellen van een
fylogenetisch nauw verwante soort waarmee eerstgenoemde soort genetisch materiaal
kan uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen, voorzover
het onwaarschijnlijk mag worden geacht dat het resulterende micro-organisme
of organisme een ziekte kan verwekken bij mens, dier of plant.
|