ADDENDUM DOOR DBB: De volgende tekst moet in VLAREM II - Bijlage 5.51.4. tussen Tabel 1 en Tabel 2 ingevoegd worden.
1. Vaststelling van de inperkingsniveaus :
- Niveau 1 : de zichzelf niet introducerende dieren die een vreemd DNZ-fragment in hun genoom hebben opgenomen, zonder de hulp van een virale vector en de zichzelf niet introducerende dieren die drager zijn van GGO van risicoklasse 1;
- Niveau 2 : de zichzelf introducerende dieren die een vreemd DNZ-fragment in hun genoom hebben opgenomen, zonder de hulp van een virale vector en de zichzeff introducerende dieren die drager zijn van GGO van risicoklasse 1;
- Niveau 3 : de dieren die drager zijn van biologische agentia, zoöpathogenen of van GGO van risicoklasse 2 of hoger en die een vreemd DNA-fragment, dat zich op in een virale vector bevond, in hun genoom hebben opgenomen of die, door eender welke techniek een volledig of gedeeltelijk viraal genoom hebben opgenomen, dat een actief virus kan doen ontstaan.
2. Inperkingseisen voor de niveaus 1, 2 en 3:
- Proefdierenverblijf van niveau 1 (A1) : de dieren worden gekweekt in de normale kweekomstandigheden, maar afgezonderd van hun niet transgene soortgenoten of die niet drager zijn van GGO. Door de kweekomstandigheden moeten de dieren bijzonder goed afgeschermd blijven van de buitenwereld. Aan het einde van het experiment worden de dieren afgemaakt. Het is tevens aanbevolen hun afvallen te inactieveren.
- Proefdierenverblijf van niveau 2 (A2) : de kweekomstandigheden zijn zoals die voor dieren van niveau 1, met daarenboven specifieke barrières die de dieren verhinderen zich in het milieu te verspreiden: filters, olie- of waterbaden, U.V.-lampen, detectors.
- Proefdierenverblijf van niveau 3 (A3) : de kweekomstandigheden zijn deze die gewoonlijk worden geëist voor de virusdragende dieren en overeenstemmen met de inperkingen, vastgelegd voor de onderzoeks- en ontwikkelingslaboratoria (L2, L3 en L4); kweekzalen in negatieve druk, luchtfilter aan de in- en uitgang van de kweekzalen, vernietiging door verbranding of sterilisatie door chemische agentia van de afvalstoffen en van de proefdieren. Over het algemeen moeten de inperkingsvoorwaarden degene zijn die gelden voor het virus dat als vector werd gebruikt. In ieder geval worden de dieren, aan het einde van het experiment, volgens een passend procédé afgemaakt.