ARCHIEVEN INGEPERKT GEBRUIK
BELGIAN BIOSAFETY SERVER : Besluit Vlaamse Regering 1 juni 1995
[Inhoudsopgave] [Vorige] [Volgende]


BIJLAGE 5.51.6.
Vectoren en inserten, celkultuur van gewervelde dieren en hun risiconiveaus

A. Gebruikte vector-gastheersystemen

Een lijst van vector-gastheersystemen die vallen onder de risicoklasse 1 zal opgesteld worden door de Minister binnen twaalf maanden vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. De beschreven vector-gastheersystemen moeten niet opgegeven worden in milieuvergunningsaanvraag of bij een kennisgeving.

B. Virale vectoren

1. Definitie: een virale vector is een virale constructie of een virus dat een vreemd DNA-fragment kan opnemen. Een virale vector kan zich ofwel autonoom gedragen, indien hij de sequenties bezit die nodig zijn voor zijn verspreiding van cel tot cel, ofwel defectief, indien hij één van de sequenties of alle sequenties mist die nodig zijn voor zijn verspreiding. In het geval van de defectieve vectoren, kunnen de onontbeerlijke sequenties worden aangevuld in trans door middel van co-infectie met een hulpvirus of door hun introductie in een cel

die voorafgaandelijk voor dit gebruik genetisch werd gemodificeerd.

2. Indeling van de virale vectoren:

1) de defectieve virale vectoren: virale vectoren die zich niet autonoom verspreiden

Er bestaan 3 onderscheiden groepen:

- De defectieve virale vectoren van groep a : Deze vectoren kunnen nooit, noch door aanvulling, noch door recombinatie, virale deeltjes doen ontstaan. Deze definitie zal enkel geldig zijn, indien de gastheercellen geen virale besmetting hebben.

- De defectieve virale vectoren van groep b : Het gebruikte aanvullingssysteem van deze vectoren maakt de samenstelling van louter defectieve stocks mogelijk (niet in staat om zich van cel tot cel te verspreiden, dit wil zeggen in de andere cellen dan deze gebruikt voor inpakking). Het gebrek aan produktie van replicatie-competente virussen in het celsysteem dat wordt gebruikt voor het doen ontstaan van de stock van virale vectoren, is een conditio sine qua non voor het behoud in groep b.

- De defectieve virale vectoren van groep c : Het gebruikte aanvullingssysteem van deze vectoren leidt naar de vorming van pseudotypen, die in staat zijn zich van cel naar cel voort te zetten. De pseudotypen worden gedefinieerd als virale deeltjes, samengesteld uit een genoom en uit proteïnen die afkomstig zijn van twee verschillende virussen. Door recombinatie kan men eveneens virale deeltjes bekomen, die in staat zijn zich autoom te verspreiden.

2) De autonome virale vectoren : virale vectoren die zorgen voor hun voortzetting van cel naar cel, met of zonder vorming van infectieuse deeltjes.

3) Risicoklassen van de virale vectoren :

De defectieve virale vectoren van groep a behoren tot risicoklasse 1.

De defectieve virale vectoren van groep b behoren tot risicoklasse 2, op voorwaarde dat zij worden gemanipuleerd in cellen waarin zich geen replicatiecompetente virussen bevinden en dat zij worden behandeld in een lokaal dat bescherming biedt tegen een eventuele besmetting met replicatiecompetente virussen. Het gebruik in dezelfde lokalen van virussen van dezelfde familie als de defectieve vectoren van groep b, zal deze vectoren doen overgaan naar groep c en dient aan de bevoegde overheid te worden gesignaleerd.

De defectieve virale vectoren van groep c en de autonome virale vectoren behoren tot de risicoklasse waartoe het oudervirus behoort.

C. Versterking van het risico dat afhangt van de aard van het insert

Er is een versterking van het risico wanneer het insert, dat in staat is tot expressie, de synthese van een produkt dat gevaarlijk is voor de mens of het leefmilieu, overdraagt. Er is eveneens een versterking van het risico, wanneer het insert het expressie-, integratie- en/of replicatievermogen van de vector vergroot.

De volgende DNA-sequenties vereisen een bijzondere risico-evaluatie, wanneer zij in de praktijk in staat zijn tot expressie (bij voorbeeld kloning in een virale expressievector).

- De genen waarvan het expressieprodukt tussenkomt in de mechanismen van cellulaire voortplanting, van cellulaire immortalisatie en apoptose. Deze definitie behelst met name de proto-oncogenen en oncogenen;

- De menselijke genen of hun equivalent bij de hogere zoogdieren, waarvan het expressieprodukt een belangrijke fysiologische functie kan uitoefenen (bij voorbeeld groeifactoren, interleukine, neurotransmitters, enz.);

- De DNA-sequenties of de genen die verantwoordelijk zijn voor de overdracht van virale, bacteriële, fungoïde, parasitaire determinanten met gastheerspecificteit;

- De genen die coderen voor of tussenkomen in de regulatie van de produktie van een toxine;

- De DNA-sequenties afkomstig van organismen van pathogeniteitsklasse 3 en 4;

- Elke DNA-sequentie waarvan de rol onbekend is.

D. Celculturen van gewervelde dieren

1. Primaire culturen : de risico's eigen aan primaire culturen zijn hoofdzakelijk deze verbonden aan het type afgenomen cellen, aan hun oorsprong (potentiële aanwezigheid van infectieuse agentia, soort specificiteit) en aan omstandigheden van de afname en de manipulatie van de biopsie bestemd om in cultuur te brengen. Het niveau van de inperking wordt dus bepaald in functie van deze factoren.

2. Cellijnen : de risico's eigen aan sekundaire culturen vertonen dezelfde risico's als de primaire culturen waarvan ze afstammen. Het laagste niveau van inperking is dit van risicoklasse 2 of hoger in geval van versterking van het geëvalueerde risico volgens de opgesomde factoren voor de primaire culturen of verbonden aan de manier waarop continuïteit van de celcultuur verworven werd (bijvoorbeeld virale transformatie of gebruik van gekloonde oncogenen).


ARCHIEVEN INGEPERKT GEBRUIK
BELGIAN BIOSAFETY SERVER : Besluit Vlaamse Regering 1 juni 1995
[Inhoudsopgave] [Vorige] [Volgende]