§ 1. Ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen mag uitsluitend plaatsvinden binnen een geschikte inrichting die een milieuvergunning bezit, met inachtneming van de in dit besluit vastgestelde kennisgevings- of toelatingsprocedure.
§ 2. Naast de informatie die vereist wordt door of krachtens de terzake doende bepalingen van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, moet de aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning voor een inrichting als bedoeld in rubriek nr. 84 van de lijst van de ingedeelde inrichtingen gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999, het maximale inperkingsniveau opgeven dat binnen de inrichting kan worden bereikt.
§ 3. In de loop van het onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest of een milieuvergunning betreffende inrichtingen bedoeld in rubriek nr. 84 van de voornoemde lijst van de ingedeelde inrichtingen is het advies van de Dienst Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid Louis Pasteur krachtens de bepalingen van artikel 13 van de ordonnantie vereist.
Het advies heeft betrekking op alle veiligheidsmaatregelen die de uitbater moet nemen om :
1° de personen en goederen te beschermen tegen de risico's van incidentele verspreiding van door dit besluit bedoelde organismen;
2° een dergelijke verspreiding te vermijden, te detecteren en de uitbreiding ervan te beletten;
3° de in artikel 28 bedoelde rampenplannen op te stellen en toe te passen en de in artikel 29 bedoelde informatie te verzamelen die bij een ongeval aan de bevoegde overheden moet worden verstrekt.
Dit advies houdt rekening met de omgeving van de inrichting.
§ 4. In een milieuvergunning voor een in § 2 bedoelde ingedeelde inrichting of een eventuele latere wijziging van die milieuvergunning wordt op zijn minst de verplichting tot de in bijlage IV genoemde inperkingsmaatregelen opgelegd.
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de bioveiligheidsverantwoordelijke en het Bioveiligheidscomité
Art. 5. - Bioveiligheidsverantwoordelijke
De houder van
een milieuvergunning voor een in artikel 4, § 2 bedoelde ingedeelde
inrichting moet een bioveiligheidsverantwoordelijke
benoemen.
De bioveiligheidsverantwoordelijke moet over de nodige bekwaamheden
beschikken om zijn taak te vervullen en moet in het bijzonder ervaring hebben
op het
vlak van ingeperkt gebruik van
GGO's en/of pathogene organismen.
De bioveiligheidsverantwoordelijke moet
over de nodige tijd en middelen beschikken om zijn werk uit te voeren.
De bioveiligheidsverantwoordelijke
heeft tot taak de beoordeling van de risico's van het door de gebruikers gerealiseerde
ingeperkt gebruik te superviseren
en de door dit besluit vereiste kennisgevingen of toelatingsaanvragen te
coördineren.
Bovendien moet hij :
1° zorgen voor de opleiding van de personeelsleden die betrokken zijn bij het ingeperkt gebruik;
2° instaan voor het afvalbeheer;
3° ervoor zorgen dat er bij een ongeval passende maatregelen worden genomen;
4° de traceerbaarheid van de gegevens verzekeren;
5° de wijze controleren waarop de GGO's en/of pathogene organismen worden opgeslagen en intern getransporteerd en de lokalen worden ontsmet, en desbetreffende interne inspecties organiseren en eraan deelnemen;
6° waken over het onderhoud en de controle van de apparatuur;
7° in het algemeen de Bioveiligheid van de inrichting verzekeren.
Art. 6. - Het Bioveiligheidscomité
De houder van de
milieuvergunning moet een Bioveiligheidscomité instellen in elke inrichting
waar men voornemens is over te gaan tot ingeperkt gebruik van GGO's en/of
pathogene
organismen.
Het Bioveiligheidscomité moet bestaan uit een voorzitter die wordt benoemd
door de leden van het comité, uit directievertegenwoordigers die verantwoordelijk
zijn voor het ingeperkt gebruik (of uit gebruikers die verantwoordelijk zijn
voor het ingeperkt gebruik), uit vertegenwoordigers van het personeel dat
betrokken is bij het ingeperkt gebruik (bijvoorbeeld onderzoekers, technici,
studenten),
uit de in artikel 5 bedoelde bioveiligheidsverantwoordelijke, uit een lid
dat in voorkomend geval het contact onderhoudt met het Comité voor Preventie
en Bescherming op het Werk, en uit leden die worden gecoöpteerd wanneer specifieke
kennis wordt vereist.
Het Bioveiligheidscomité heeft tot taak :
1° leiding te geven aan de gebruikers;
2° het samenstellen van de bioveiligheidsdossiers te superviseren;
3° de onderlinge verenigbaarheid te bepalen van de verschillende projecten van ingeperkt gebruik die binnen eenzelfde inrichting worden beoogd;
4° de bioveiligheid te garanderen wanneer meerdere verschillende activiteiten van ingeperkt gebruik worden verricht binnen een zelfde inrichting;
5° in het algemeen te waken over de bioveiligheid van het ingeperkt gebruik binnen de inrichting.
De bevoegde instantie kan de houder van de milieuvergunning
vrijstellen van
de verplichting om een Bioveiligheidscomité op te richten, rekening houdend
met de grootte van de inrichting, de aard van het ingeperkt gebruik, het
aantal betrokken
personen en de aard en hoeveelheid van de geproduceerde afvalstoffen. In
dit geval worden de taken van het Bioveiligheidscomité toevertrouwd aan de
in artikel 5 bedoelde bioveiligheidsverantwoordelijke.