Bijlage II
Ingeperkt gebruik waarbij GGO's worden aangewend die door middel van de volgende technieken of methoden zijn opgebouwd, kan worden vrijgesteld van de toepassing van dit besluit, overeenkomstig artikel 3, § 1, 2°, op voorwaarde dat bij het procédé voor de opbouw van deze GGO's geen gebruik wordt gemaakt van andere recombinant-nucleïnezuurmoleculen, GGM's of GGO's dan die welke door middel van een of meer van de hieronder genoemde technieken/methoden zijn geproduceerd :
1) mutagenese;
2) celfusie (met inbegrip van protoplastfusie) van cellen van eukaryotische
soorten, met inbegrip van de productie en het gebruik van hybridoma's en
de fusie van
plantencellen;
3) celfusie (met inbegrip van protoplastfusie) van prokaryotische soorten die
genetisch materiaal uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen;
4) zelfklonering van micro-organismen en organismen van risicoklasse 1 en van
meercellige organismen, uitgenomen de kiemcellen van menselijke oorsprong, dit
wil zeggen het verwijderen van nucleïnezuursequenties uit een cel van een organisme,
al dan niet gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur of een deel daarvan
(of een synthetisch equivalent) - eventueel na een aantal voorafgaande enzymatische
of mechanische bewerkingen - in cellen van dezelfde soort of cellen van een fylogenetisch
nauw verwante soort waarmee eerstgenoemde soort genetisch materiaal kan uitwisselen
door middel van bekende fysiologische processen, voorzover het onwaarschijnlijk
mag worden geacht dat het resulterende micro-organisme of organisme een ziekte
kan verwekken bij mens,
dier of plant.
Bij zelfklonering mag gebruik worden gemaakt van recombinante vectoren waarvan
het gebruik in combinatie met de betrokken micro-organismen of organismen in
de loop der tijd veilig
is gebleken.
Deel 2
Criteria om vast te stellen of GGM's
veilig zijn voor de gezondheid van de mens
en het milieu
In deze bijlage worden in algemene termen de criteria beschreven waaraan moet worden voldaan bij de vaststelling of typen GGM's veilig zijn voor de gezondheid van de mens en het milieu en geschikt zijn om in deel 3 te worden opgenomen. Ze zal aangevuld worden met verklarende nota's die een gids vormen voor de toepassing van deze criteria en die zullen opgesteld en eventueel gewijzigd worden overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 32.
1. Inleiding
Overeenkomstig artikel 3, §1, 4°, zijn de type's GGM's op de lijst in deel 3 van deze bijlage vrijgesteld van de toepassing van dit besluit. GGM's worden uitsluitend individueel aan de lijst toegevoegd en overeenkomstig de Europese besluiten getroffen in invoering van artikel 3 van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodifieerde micro-organismen, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/81/EG.
De uitsluiting geldt alleen voor duidelijk geïdentificeerde GGM's. Deze uitsluiting geldt alleen wanneer het gebruik van het GGM voldoet aan de voorwaarden van ingeperkt gebruik, zoals gedefinieerd in artikel 2, 10° en geldt niet voor de doelbewuste introductie van GGM's. Een GGM kan alleen in deel 3 worden opgenomen indien is aangetoond dat het aan onderstaande criteria voldoet.
2. Algemene criteria
2.1.
Verificatie / authentificatie van de stam
De identiteit van de stam moet exact worden bepaald en de modificatie moet
bekend en geverifieerd zijn.
2.2. Gedocumenteerd en algemeen erkend bewijs
van de veiligheid
Er moet gedocumenteerd bewijsmateriaal voor de veiligheid van het organisme
worden ingediend.
2.3. Genetische stabiliteit
Wanneer de veiligheid nadelig kan worden
beïnvloed door instabiliteit, moet stabiliteit worden aangetoond.
3. Specifieke criteria
3.1.
Niet pathogeen
Het GGM mag bij een mens, plant of dier in goede gezondheid geen ziekte of
schade kunnen veroorzaken. Onder pathogeniteit vallen zowel toxigene als allergene
werking,
zodat het GGM tevens
de volgende eigenschappen moet hebben :
3.1.1. Niet toxigeen
Het GGM mag door de genetische modificatie niet sterker toxigeen worden en
het mag geen bekende toxigene eigenschappen hebben.
3.1.2.
Niet allergeen
Het GGM mag door de genetische modificatie niet sterker allergeen worden en
het mag geen bekende allergene eigenschappen hebben met bijvoorbeeld een allergene
werking die met name vergelijkbaar is met die van de micro-organismen die in
bijlage III, deel 4, worden gespecificeerd.
3.2. Geen
schadelijke adventieve agentia
Het GGM mag geen bekende adventieve agentia bevatten, zoals andere actieve
of latente micro-organismen, die zich aan of in het GGM bevinden en schade
aan de
gezondheid
van de mens of het milieu kunnen toebrengen.
3.3. Overdracht van genetisch materiaal
Het gemodificeerde genetische materiaal mag geen schade veroorzaken als het
wordt overgebracht en mag ook niet met een hogere frequentie zelf-overdraagbaar
of
over te brengen zijn dan andere genen van het recipiënte
of ouder-micro-organisme.
3.4. Veiligheid voor het milieu bij onbedoelde verspreiding
GGM's mogen geen directe of vertraagde schadelijke gevolgen voor het milieu
hebben wanneer zij onbedoeld in
significante hoeveelheden vrijkomen.
De lijst van typen van GGM's die voldoen aan de criteria van bijlage
II, deel 2, wordt door de Minister opgesteld overeenkomstig de bepalingen
van artikel
31.