|
Ingeperkt
gebruik van GGO's en pathogenen
Waarmerking en vrijstelling
van toepassing van de wetgeving
(Auteur: B. Van Vaerenbergh) (Laatste herziening: 28 juli
2009)

Genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGM's) en organismen (GGO's)
van risicoklasse 1 kunnen gewaarmerkt worden op basis van de criteria
van risicoklasse 1 opgenomen in Bijlage IV (Bijlage 5.51.3), Deel 2 van het besluit
van de Vlaams regering van 6 februari 2004 of in
Bijlage III, Deel 2 van de Brusselse en Waalse besluiten (respectievelijk
besluiten van 8 november 2001 en 4
juli 2002).
Daarnaast kunnen ook bepaalde
GGM's en GGO's van risicoklasse 1 vrijgesteld worden van de
toepassing van de regionale wetgevingen inzake ingeperkt gebruik indien zij
opgebouwd werden door middel van volgende technieken, overeenkomstig Bijlage
II, Deel
A van de richtlijn 2009/41/EG:
- mutagenese,
- celfusie (met inbegrip van protoplastfusie) van cellen van
eukaryotische soorten, met inbegrip van de productie en het gebruik van hybridoma's
en
de fusie van plantencellen,
- celfusie (met inbegrip van protoplastfusie)
van prokaryotische soorten die genetisch materiaal uitwisselen door middel
van bekende fysiologische
processen,
- zelfklonering van micro-organismen
en organismen van risicoklasse 1 en van meercellige organismen, uitgenomen
de kiemcellen van menselijke oorsprong,
dit wil zeggen het verwijderen van nucleïnezuursequenties uit een cel
van een organisme, al dan niet gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur
of een deel daarvan (of een synthetisch equivalent) - eventueel na een aantal
voorafgaande enzymatische of mechanische bewerkingen - in cellen van dezelfde
soort of cellen van een fylogenetisch nauw verwante soort waarmee de eerstgenoemde
soort genetisch materiaal kan uitwisselen door middel van bekende fysiologische
processen, voorzover het onwaarschijnlijk mag worden geacht dat het resulterende
micro-organisme of organisme een ziekte kan verwekken bij mens, dier of plant.
Bij zelfklonering mag gebruik worden gemaakt van recombinante vectoren waarvan
het gebruik in combinatie met de betrokken micro-organismen of organismen
in de loop der tijd veilig is gebleken.
Opmerking: In het kader van de richtlijn
2001/18/EG inzake de doelbewuste introductie van GGO's in het milieu
worden enkel GGO's vrijgesteld die opgebouwd zijn
door middel van mutagenese en celfusie (inclusief protoplastfusie) van plantencellen
van organismen die genetisch materiaal kunnen uitwisselen met behulp van traditionele
kweekmethoden (bijlage
IB van richtlijn 2001/18/EG).
Nut
Zowel waarmerking als vrijstelling van vergunning zijn vooral nuttig voor
de industrie. Het commentaar van de industrie luidt als volgt:
Een waarmerkingcertificaat is zowat te vergelijken met een ISO certificatie.
Het verleent een kwaliteits- en veiligheidslabel aan het GGM dat gebruikt wordt
voor de productie. Dit vergroot het vertrouwen van de klant op 2 niveau’s:
op gebied van kwaliteit van het product, en op gebied van veiligheid van het
product, temeer dat het vervaardigd wordt aan de hand van biotechnologische
technieken gebruik makend van GGM's, een technologie waarmee de klant
niet vertrouwd is en waarover in onze huidige samenleving veel vooroordelen
bestaan. Het waarmerkingscertificaat heeft daarbij des te meer overtuigingskracht
vermits het door een overheidsinstantie afgeleverd wordt.
Daarnaast kan het certificaat -gezien zijn afkomst van een erkende bevoegde
instantie in de Europese wetgeving,- in principe gebruikt worden om in andere
Europese landen sneller te kunnen starten met de grootschalige productie met
hetzelfde GGM
(afhankelijk van de vergunningen die beschikbaar zijn voor de productieplant
in dat andere Europese land). In de praktijk verloopt het niet zo vlot: de
betreffende nationale instantie neemt geen genoegen met enkel een verklaring
van veiligheid en wil de risicoanalyse zelf ook nog opnieuw analyseren. Dit
geldt ook op internationaal vlak waarbij Europa een verklaring van veiligheid
door de Amerikaanse EPA of FDA niet zomaar aanvaard wordt.
Tenslotte kan het certificaat worden toegevoegd aan dossiers over productveiligheid,
om bewijskracht toe te voegen aan eigen beweringen, en zodoende productgoedkeuringen
te bevorderen.
Procedures
Voor het bekomen van een waarmerkingscertificaat en/of een vergunning
voor vrijstelling zijn volgende procedures
voorhanden:
A) Waarmerking
Een waarmerkingsattest
afgeleverd in België levert de garantie
dat het GGM of GGO voldoet aan de criteria van risicoklasse 1 zoals bepaald
in de betrokken
bovenvermelde bijlagen van de regionale besluiten.
De huidige wetgevingen in
het Brusselse Gewest (besluit van 8 november
2001) en het Waalse Gewest (besluit
van 4 juli 2002) en deze in het Vlaamse Gewest
(besluit van 6 februari 2004) voorzien
geen specifieke procedure
voor het bekomen van
een waarmerkingscertificaat.
Het waarmerkingscertificaat wordt op initiatief van de kennisgever aangevraagd
bij de Sectie Bioveiligheid en Biotechnologie (SBB). Daartoe stuurt de kennisgever
een dossier naar de SBB waarin alle gegevens staan die het bewijs leveren
dat het GGM of GGO voldoet aan de criteria van risicoklasse 1 zoals bepaald
in
respectievelijk bijlage III, deel 2 van bovenvermeld Brussels en Waals besluit
of bijlage IV (bijlage 5.51.3), deel 2 van het Vlaamse besluit.
B) Vrijstelling van toepassing
van de wetgeving ingeperkt gebruik
In een aantal gevallen kunnen GGO's
vrijgesteld worden van de toepassing van de regionale wetgevingen inzake ingeperkt
gebruik.
De huidige regionale wetgevingen inzake ingeperkt gebruik vermelden
dat deze niet van
toepassing zijn op ingeperkt gebruik waarbij GGO's worden aangewend door middel
van de technieken en methoden die worden opgenomen:
-
ofwel in bijlage
II, deel 1 van het Brusselse en Waalse besluiten, en die de technisch deskundige
(SBB)
schriftelijk als dusdanig bevestigt. Daartoe stuurt de kennisgever een dossier naar
de
SBB waarin alle gegevens staan die
het bewijs
leveren dat het GGO voldoet aan de criteria van deze bijlagen.
-
ofwel in bijlage
15B van het Vlaamse besluit.
|