|
Ingeperkt
gebruik van GGO's en pathogenen
Klinische
laboratoria - Beschrijving van het inperkingsniveau L2 inclusief bijkomende
maatregelen voor primo-identificatie van het Mycobacterium tuberculosis complex (Laatste herziening: 8 oktober 2008)
Inrichting en technische karakteristieken van de laboratoria
- De laboratoria zijn fysisch gescheiden van andere werkzones
in het gebouw.
- Manipulatie
van mycobacteriën moet plaatsvinden in een aparte
werkzone van het lokaal, bij voorkeur in een apart lokaal.
- De toegangsdeur(en)
tot het laboratorium is (zijn) vergrendelbaar en is (zijn)
voorzien van een automatische sluiting (deurveer).
- Het meubilair is dusdanig ontworpen dat het vlotte reiniging
en ontsmetting toelaat en een controleprogramma voor insecten
en knaagdieren vergemakkelijkt.
- Er is een wasbak voor het wassen en het decontamineren
van de handen in het laboratorium voorzien.
- Er zijn kapstokken of een kleedkamer voorzien voor beschermende
kleding. Stadskledij en beschermende kleding moeten van elkaar
gescheiden blijven.
- De werktafels zijn gemakkelijk schoon te maken, waterondoordringbaar
en zijn bestand tegen zuren, basen, organische oplosmiddelen,
gebruikte ontsmettingsmiddelen en decontaminatiemiddelen.
- Het laboratorium
moet voldoende geventileerd worden om luchtbesmetting
tot een minimum te herleiden.
Veiligheidsuitrusting
- Het labo moet een specifieke uitrusting hebben voor manipulatie van potentieel besmette stalen of primo-culturen van het Mycobacterium tuberculosis complex. Dit betreft labomateriaal en apparatuur zoals pipetten, entnaalden, cultuurflessen maar ook hermetisch afsluitbare centrifugeerbuishouders en/of rotor, vortex en bij voorkeur ook een microbiologische veiligheidskast (MVP) en een centrifuge.
- Het lokaal
moet uitgerust zijn met een microbiologische veiligheidskast
(MVP) van klasse I of II. Deze moet zo gelokaliseerd
dat ze de luchtstroom in het lokaal niet verstoort. Ze
moet voldoende verwijderd staan van ramen, deuren, vensters,
plaatsen met frequente doorgang, luchtroosters voor luchttoevoer
of -afvoer. De MVP moet gecontroleerd en gecertifiëerd
worden bij aankoop of bij verplaatsing en minimum éénmaal
per jaar.
- Er moet een
autoclaaf beschikbaar zijn in het lokaal of in de nabijheid
van het lokaal ingeval het biologisch afval
en/of biologische residu’s geïnactiveerd wordt
door stoomsterilisatie.
- Het laboratorium
moet uitgerust zijn met een centrifuge waarvan de rotor
of de centrifugeerbuishouders hermetisch afgesloten kunnen
worden (zogenaamde "safety cups"). Centrifugerbuizen
zijn hermetisch afsluitbaar en voor éénmalig
gebruik.
Werkpraktijken
- De toegang tot de laboratoria is voorbehouden aan personen
die toegelaten zijn door de verantwoordelijke en op de hoogte
zijn gebracht van het biologisch risico.
- Op de deuren die toegang verlenen tot de laboratoria staat
volgende vermelding:
- het biorisicoteken
- het inperkingsniveau
- de coördinaten
van de verantwoordelijke,
- de
aard van het risico.
- Er wordt beschermende kleding gedragen. Deze beschermende
kleding mag niet buiten de laboratoria gedragen worden.
- Er worden handschoenen gedragen.
- De ramen moeten gesloten blijven tijdens de proefneming.
- Levensvatbare micro-organismen moeten fysisch ingeperkt
worden in gesloten systemen (buizen, dozen, ...), wanneer
ze niet gemanipuleerd worden.

(*)
Primaire culturen zijn culturen die enkel vanaf een klinisch staal
worden geënt en moeten, indien mogelijk, in onbreekbare recipiënten
worden geënt. (**) Een cultuur mag niet meer worden
geopend tijdens of na de groei, ook niet voor staalname via doorprikken
van een septum, voor analyse van positieve culturen door middel van
microscopisch onderzoek, voor analyse via moleculaire technieken (zoals
PCR) of voor het enten van secundaire culturen. De verdere
karakterisatie en/of manipulatie van positieve primo-culturen is in
geen geval toegelaten. Voor verdere identificatie dienen de stalen
ongeopend te worden verstuurd naar een laboratoria van inperkingsniveau
L3.
- Elke manipulatie
waarbij infectieuze aërosols gevormd worden dient
te gebeuren in de microbiologische veiligheidkast (opening
van rotor, centrifugeerbuizen, cultuurbuizen, pipettering,
preparatie van draagglaasjes voor microscopie, na homogenisatie
(vortex)).
- Stalen die
geïnactiveerd werden door behandeling met een gelijk
volume natriumhypochloriet 5% mogen buiten de microbiologische
veiligheidkast gemanipuleerd worden of gecentrifugeerd
worden in een gewone centrifuge.
- In geen geval mag een horizontale laminaire flowkast gebruikt
worden voor manipulatie van pathogene micro-organismen.
- Mechanische pipettering is vereist. Pipetteren via de mond
is verboden.
- Drinken, eten, roken, gebruik van cosmetica, manipulatie
van contactlenzen en opslag van voedsel voor menselijke consumptie
is verboden in de laboratoria.
- Een register van alle gemanipuleerde of opgeslagen pathogene
en/of genetisch gemodificeerde organismen moet bijgehouden
worden.
- De controlemaatregelen en -uitrusting moeten regelmatig
en op een adequate wijze nagezien worden..
- De handen moeten gewassen worden bij het verlaten van het
laboratorium, wanneer een andere activiteit wordt aangevat
of wanneer het nodig wordt geacht.
- Na het beëindigen
van het werk of bij morsen van biologisch materiaal worden de werkoppervlakken
telkens ontsmet met een geschikt ontsmettingsmiddel.
- Er is een nota beschikbaar voor het personeel voor het
gebruik van ontsmettingsmiddelen. Deze nota specificeert
in functie van het beoogde doel het type ontsmettingsmiddel
dat moet gebruikt worden, de nodige concentratie en de contactduur.
- Het personeel krijgt een opleiding in verband met bioveiligheidsaspecten
en wordt regelmatig opgevolgd en bijgeschoold.
- Er wordt een bioveiligheidshandleiding
opgesteld en goedgekeurd. Het personeel wordt op de hoogte gesteld van
de mogelijke risico’s en moet de bioveiligheidsvoorschriften doornemen.
In het laboratorium hangen de instructies op die moeten gevolgd
worden ingeval van ongeval.
- Het biorisicoteken staat op incubatoren, diepvriezers en
stikstofvaten die biologische materiaal van risicoklasse
2 of hoger bevatten.
- Er wordt een doeltreffend controleprogramma voor insecten
en knaagdieren toegepast.
- Het rondlopen van dieren in het laboratorium is verboden.
Afvalbeheer
- Het beheer van het biologisch
afval en/of biologische residu’s
voldoen aan de volgende voorwaarden:
- Besmet biologisch
afval en/of biologische residu’s
en besmet wegwerpmateriaal moeten geïnactiveerd
worden volgens een geschikte, gevalideerde methode
vooraleer het geloosd wordt, bv. d.m.v. autoclavering
of door verbranding. De verbranding wordt uitgevoerd
door een erkende firma. Het afval wordt verzameld in
stevige en hermetisch afsluitbare recipiënten.
Deze moeten gesloten worden voor transport.
- Besmet materiaal
(glaswerk, enz.) wordt geïnactiveerd
volgens een geschikte, gevalideerde methode vóór
het schoonmaken, het hergebruiken en/of het vernietigen.
|