[FR] Contact  Over deze website  Ga naar het Belgium.be portaal  Ga naar het FOD portaal   Ga naar de website van de Vlaamse milieuadministratie    Ga naar het BIM website    Ga naar het portaal van het Waals gewest   Ga naar het WIV website
BELGIAN BIOSAFETY SERVER
  [Home Page] [Vorig Menu] [Zoek]

Ingeperkt gebruik van GGO's en pathogenen
Beschrijving van het inperkingsniveau L3 voor activiteiten die secundaire culturen impliceren van Mycobacterium tuberculosis complex
(Laatste herziening: 15 januari 2004)

----------------------------------------------------------------------------------

Inrichting en technische karakteristieken van de laboratoria

  • Het laboratorium is fysisch gescheiden van andere werkzones in het gebouw of is in een apart gebouw gelegen.
  • De toegang tot dit laboratorium gebeurt via een sas.
  • De toegangsdeur tot het sas is vergrendelbaar en is voorzien van een elektrische of equivalente controle.
  • De deuren van het sas zijn voorzien van een automatische sluiting. Er is een speciaal systeem (bv. interlock) voorzien waardoor beide deuren van het sas niet tezelfdertijd open kunnen, maar dit is zo ingericht dat bij ongeval de hulpverleners niet gehinderd worden.
  • Het lokaal heeft vaste ramen die hermetisch afgesloten zijn.
  • Het lokaal is luchtdicht om decontaminatie met een gas mogelijk te maken.
  • Het meubilair is dusdanig ontworpen dat het vlotte reiniging en ontsmetting toelaat en een controleprogramma voor insecten en knaagdieren vergemakkelijkt.
  • Het lokaal heeft een kijkvenster of gelijkwaardig systeem dat toelaat van buitenaf te zien wie zich in het lokaal bevindt.
  • De ingeperkte zone is voorzien van een wasbak met niet-manuele bediening voor het wassen en het decontamineren van de handen. Deze wasbak staat in het sas of nabij de uitgang van het laboratorium.
  • Eventueel kan er een douche voorzien worden in het laboratorium of in het sas.
  • Er zijn kapstokken of een kleedkamer voorzien voor beschermende kleding. Stadskledij en beschermende kleding moeten van elkaar gescheiden blijven.
  • Toevoerbuizen voor vloeistoffen zijn voorzien van een terugvloeibeveiliging.
  • De werktafels en vloer zijn gemakkelijk schoon te maken, waterondoordringbaar en zijn bestand tegen zuren, basen, organische oplosmiddelen, gebruikte ontsmettingsmiddelen en decontaminatiemiddelen.
  • Er is een autonoom elektrisch systeem voorzien ingeval van stroomonderbreking.
  • Er is een automatisch brandalarmdetectiesysteem.
  • In de zone is er een interfoon, telefoon of elk ander systeem waarmee communicatie buiten de inperkingzone mogelijk is.
  • De zone wordt permanent in onderdruk gehouden t.o.v. de aangrenzende zone’s om mogelijke besmetting buiten de zone te verhinderen.
  • De onderdruk wordt gecontroleerd door een manometer en het is aangeraden dat er een alarmsysteem aan gekoppeld is ingeval van panne van het ventilatiesysteem.
  • Indien het luchttoevoersysteem niet gescheiden is van dit van de aangrenzende lokalen (een gescheiden systeem is aanbevolen) moet er een HEPA filter of kleppen geïnstalleerd worden om het terugstromen van de lucht te vermijden. Indien het luchtafvoersysteem niet gescheiden is van dit van de aangrenzende lokalen (een gescheiden systeem is aanbevolen) moet er een tweede HEPA filter voorzien worden bij de luchtafvoer.
  • Luchttoevoer- en luchtafvoersysteem zijn onderling verbonden om accidentele overdruk te vermijden (bij panne van het luchtafvoersysteem).
  • Luchttoevoer- en luchtafvoersysteem kunnen d.m.v. kleppen afgesloten worden.
  • De afgevoerde lucht wordt gefilterd over een HEPA filter. In geen geval mag de afgevoerde lucht terug in omloop gebracht worden in het gebouw of aangrenzende gebouwen, of verspreid worden nabij luchtkokers of lokalen die in verbinding staan met de buitenwereld, tenzij een tweede HEPA filter voorzien is bij de luchtafvoer.
  • Vervangen van de HEPA filters gebeurt na voorafgaande ontsmetting of in condities waar er geen gevaar op besmetting is, en volgens de instructies van de installateur.
  • De luchtleidingen moeten dusdanig ontworpen zijn dat decontaminatie van het laboratorium met een gas mogelijk is.
  • Het ventilatiesysteem is uitgerust met een noodstroomvoorziening ingeval van stroomonderbreking.
  • Specifieke maatregelen moeten genomen worden om de gecontroleerde zone dusdanig te ventileren waardoor de luchtbesmetting tot een minimum herleid wordt.

Veiligheidsuitrusting

  • Het laboratorium moet uitgerust zijn met een microbiologische veiligheidskast (MVP) wanneer manipulaties in "open fase" uitgevoerd worden. De MVP moet zo gelokaliseerd zijn dat ze de luchtstroom in het lokaal niet verstoort. Ze moet voldoende verwijderd staan van ramen, deuren, vensters, plaatsen met frequente doorgang en luchtroosters voor luchttoevoer of -afvoer. De MVP moet gecontroleerd en gecertifiëerd worden bij aankoop of bij verplaatsing en minimum éénmaal per jaar.
  • Er is een autoclaaf in de ingeperkte zone, bij voorkeur een doorgeefautoclaaf.
  • De ingeperkte zone moet uitgerust zijn met een centrifuge voor het centrifugeren van biologische materiaal. Het materiaal moet gecentrifugeerd worden in een rotor of centrifugeerbuishouders die kunnen hermetisch afsluitbaar zijn (zogenaamde “safety cups”), zodat ingeval van gebroken of beschadigde buizen verspreiding van aërosolen tegenhouden wordt.
  • Indien er een vacuumsysteem gebruikt wordt moet dit voorzien zijn van een HEPA filter.

Werkpraktijken en afvalbeheer

  • De toegang tot het laboratorium is voorbehouden aan de personen die de toelating hebben van de verantwoordelijke en op de hoogte zijn gebracht van het risico. Er is toegangscontrole voorzien.
  • Op de deur die toegang verleent tot het laboratorium staat volgende vermelding:
    • het biorisicoteken,
    • het inperkingsniveau,
    • de coördinaten van de verantwoordelijke voor de zone,
    • de aard van het biologisch risico,
    • de lijst van de toegelaten personen,
    • de criteria voor toegang tot de inperkingzone.
  • Het laboratorium heeft een eigen specifieke laboratoriumuitrusting.
  • Er wordt beschermende kleding gedragen. Deze beschermende kleding is specifiek voor de inperkingzone en mag niet buiten de zone gedragen worden. Vooraleer ze gewassen of verwijderd wordt uit de inperkingszone moet ze gedecontamineerd worden.
  • Er worden handschoenen ter beschikking gesteld van het personeel.
  • Levensvatbare micro-organismen moeten fysisch ingeperkt worden in gesloten systemen (buizen, dozen, ...) wanneer ze niet gemanipuleerd worden.
  • Aërosolvorming of spatten moeten geminimaliseerd worden en de verspreiding ervan moet gecontroleerd worden door geschikte apparatuur en werkpraktijken.
  • Elke manipulatie waarbij er mogelijkheid bestaat tot aërosolvorming of die risico’s inhoudt moet uitgevoerd worden in een microbiologische veiligheidskast.
  • In geen geval mag een horizontale laminaire flowkast gebruikt worden voor manipulatie van pathogene micro-organismen.
  • Mechanische pipettering is vereist. Pipetteren via de mond is verboden.
  • Drinken, eten, roken, gebruik van cosmetica, manipulatie van contactlenzen en opslag van voedsel voor menselijke consumptie is verboden in de laboratoria.
  • Een register van alle gemanipuleerde of opgeslagen pathogene micro-organismen moet bijgehouden worden.
  • De controlemaatregelen en -uitrusting moeten regelmatig en op een adequate wijze nagezien worden.
  • De handen moeten gewassen worden bij het verlaten van de inperkingszone, bij het aanvatten van een andere activiteit of wanneer het nodig wordt geacht.
  • Na het beëindigen van het werk of bij morsen van biologisch materiaal worden de werkoppervlakken telkens ontsmet met een geschikt ontsmettingsmiddel.
  • Er is een nota beschikbaar voor het personeel voor het gebruik van ontsmettingsmiddelen. Deze nota specificeert in functie van het beoogde doel het type ontsmettingsmiddel dat moet gebruikt worden, de nodige concentratie en de contactduur.
  • Het personeel krijgt een opleiding in verband met bioveiligheidsaspecten en wordt regelmatig opgevolgd en bijgeschoold. Deze opleiding is speciaal voorzien voor het werken in een inperkingsniveau 3.
  • Er wordt een bioveiligheidshandleiding opgesteld en goedgekeurd. Het personeel wordt op de hoogte gesteld van de mogelijke risico’s en moet de bioveiligheidsvoorschriften doornemen. In het laboratorium hangen de instructies op die moeten gevolgd worden ingeval van ongeval.
  • Het biorisicoteken staat op incubatoren, diepvriezers en stikstofvaten die biologisch materiaal van risicoklasse 2 of hoger bevatten.
  • Er wordt een doeltreffend controleprogramma voor insecten en knaagdieren toegepast.
  • De rondlopen van dieren in het laboratorium is verboden.
  • Het beheer van het biologisch afval en/of biologische residu’s voldoen aan de volgende voorwaarden:
    • Besmet biologisch afval en/of biologische residu’s en besmet wegwerpmateriaal moeten geïnactiveerd worden volgens een geschikte, gevalideerde methode vooraleer het geloosd wordt, bv. d.m.v. autoclavering of door verbranding. De verbranding wordt uitgevoerd door een erkende firma. Het afval wordt verzameld in stevige en hermetische recipiënten. Deze moeten gesloten worden voor transport.
    • Besmet materiaal (glaswerk enz...) wordt geïnactiveerd volgens een geschikte, gevalideerde methode vóór het schoonmaken, het hergebruiken en/of het vernietigen.
  • Effluenten van wasbakken en douches worden bij voorkeur geïnactiveerd volgens een geschikte, gevalideerde methode vóór eindafvoer.

 [Home Page] [Vorig Menu] [Zoek] Copyright ©2005 WIV-SBB  Contact  Privacy