|
Belgisch Staatsblad van 08-06-1999
MINISTERIE VAN HET WAALSE GEWEST
11 MAART 1999. - Decreet betreffende de
milieuvergunning
De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering,
bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Begripsomschrijving
Artikel 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt
verstaan onder :
1° milieuvergunning : beslissing van de bevoegde overheid op
grond waarvan een exploitant gedurende een bepaalde tijd en onder
bepaalde voorwaarden een inrichting van eerste of tweede klasse mag
exploiteren, verplaatsen, verbouwen of uitbreiden;
2° aangifte : handeling waarbij de aangever de bevoegde overheid
op de bij dit decreet bepaalde wijze in kennis stelt van zijn
bedoeling een inrichting van klasse 3 te exploiteren;
3° inrichting : technisch-geografische eenheid bestaande uit
één of meer installaties of activiteiten ingedeeld op
het gebied van milieubescherming, alsmede elke andere installatie
en/of activiteit die daarmee rechtstreeks verband houdt en een
weerslag op de emissies en de verontreiniging kan hebben;
4° tijdelijke inrichting : inrichting die tijdelijk is van wege
haar aard en waarvan de vaste exploitatie niet langer duurt dan :
a. drie jaar als de inrichting noodzakelijk is voor een bouwwerf;
b. de termijn voor de sanering van de plaats als de inrichting
bestemd is voor de sanering van een verontreinigde site;
c. drie maanden of een kortere termijn die de Regering bepaalt voor
inrichtingen die zij aanwijst;
5° proefinrichting : inrichting die niet langer dan zes maanden
mag functioneren en uitsluitend of voornamelijk gebruikt wordt om
nieuwe methodes of producten tot stand te brengen of te testen;
6° mobiele inrichting : door de Regering aangewezen installatie
die is ontworpen om op verschillende plaatsen te worden
geëxploiteerd en niet langer dan één jaar op
dezelfde site;
7° exploitatie : bouw, indienststelling, behoud, instandhouding,
onderhoud of gebruik van een inrichting;
8° exploitant : persoon die een ingedeelde inrichting
exploiteert of voor wiens rekening een ingedeelde inrichting wordt
geëxploiteerd; bij de procedure voor de vergunningafgifte wordt
de aanvrager gelijkgesteld met de exploitant;
9° aangever : persoon die een aangifte doet;
10° project : inrichting waarvoor een milieuvergunning of een
aangifte vereist is;
11° gemengd project : project waarvan bij de indiening van de
vergunningaanvraag blijkt dat een milieu- of een stedenbouwvergunning
vereist is voor de uitvoering ervan;
12° eenmalige vergunning : beslissing van de bevoegde overheid
m.b.t. een gemengd project, gegeven na afloop van de procedure
bedoeld in hoofdstuk XI en gelijkstaand met de milieuvergunning in de
zin van artikel 1, 1°, van dit decreet en met de
stedenbouwvergunning in de zin van de artikelen 84 en 127 van het
Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en
Patrimonium;
13° sanering : geheel van handelingen om de inrichting weer in
het leefmilieu te integreren, rekening houdende met het feit dat de
nieuwe bestemming ervan een functioneel gebruik betreft, en/of om
gevaar voor verontreiniging vanaf de inrichting te voorkomen;
14° dossier van de milieueffectrapportering : korte
uiteenzetting van de rapportering of effectonderzoek vereist
krachtens de wetgeving op de organisatie van de
milieueffectrapportering in het Waalse Gewest;
15° bevoegde overheid : overheid die bevoegd is om de aangifte
in ontvangst te nemen of om de milieuvergunning af te geven;
16° technisch ambtenaar : de door de Regering aangewezen
ambtenaar/ambtenaren;
17° CWATUP : Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw
en Patrimonium;
18° gemachtigd ambtenaar : de door de Regering gemachtigde
ambtenaar, in de zin van het `CWATUP';
19° beste beschikbare technieken : meest doeltreffende en
gevorderde ontwikkelingsfase van de installaties en activiteiten,
alsmede van de wijze waarop ze ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd
en onderhouden worden, waarbij aangetoond wordt dat de specifieke
technieken in princiep geschikt zijn om als grondslag te dienen voor
de emissiegrenswaarden ter voorkoming en, als dit onmogelijk blijkt
te zijn, ter algemene beperking van de emissies en van de weerslag
ervan op het milieu in het algemeen, voor zover deze technieken tot
stand gebracht worden op een schaal waarop ze in de betrokken
industriesector toegepast kunnen worden met inachtneming van haalbare
technisch-economische normen en voor zover ze in normale
omstandigheden toegankelijk zijn;
20° verontreiniging : het rechtstreeks of onrechtstreeks
introduceren, via menselijke activiteiten, van stoffen, trillingen,
warmte, lawaai in water, lucht of bodem, hetgeen de menselijke
gezondheid of de milieukwaliteit kan schaden, goederen kan
beschadigen, de erkenning van het milieu of andere legitieme
gebruiken ervan kan benadelen of verhinderen;
21° emissie : rechtstreekse of onrechtstreekse uitworp, vanaf
punctuele of diffuse bronnen in de inrichting, van stoffen,
trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem.
Afdeling II. - Toepassingsgebied
Art. 2. Dit decreet heeft ten doel in het kader van een
geïntegreerd beleid inzake de vervuilingspreventie en -beperking
mens en milieu te beschermen tegen gevaren, hinder of ongemakken die
een inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken
tijdens of na de exploitatie ervan. Het betreft zowel de bevolking
buiten de omheining van de inrichting als personen die binnen de
inrichting niet dezelfde bescherming als de werknemers genieten.
Dit decreet moet ook doelstellingen helpen nastreven zoals het
klimatologische evenwicht, het behoud van de kwaliteit van het water,
de lucht, de bodem, de ondergrond, de biodiversiteit en het milieu
i.v.m. hinder, en het rationele beheer van water, grond, ondergrond,
energie en afval.
Art. 3. De installaties en activiteiten zijn opgenomen in
rubrieken en onderverdeeld in drie klassen (klasse 1, klasse 2 en
klasse 3), al naar gelang het afnemende belang van hun weerslag op
mens en milieu, alsmede hun geschiktheid om aan algemene, sectorale
en integrale normen te voldoen.
Klasse 3 omvat de installaties en activiteiten die weinig effect op
mens en milieu hebben en waarvoor de Regering integrale normen heeft
uitgevaardigd.
Voor de bepaling van de klasse van de inrichting wordt uitgegaan van
de installatie of activiteit die de meeste weerslag op mens of milieu
heeft.
De lijst en de indeling van de installaties en activiteiten worden
door de Regering bepaald. Als de Regering wijzigingen aanbrengt in de
lijst en de indeling van de installaties, moet ze haar beslissing met
redenen omkleden.
Afdeling III. - Algemene, sectorale, integrale en specifieke
normen
Art. 4. De Regering bepaalt de algemene, sectorale,
integrale en specifieke normen waaraan voldaan moet worden om de in
artikel 2 bedoelde doelstellingen te halen. Ze hebben reglementaire
waarde.
De algemene, sectorale, integrale en bijzondere normen worden bepaald
op grond van richtlijnen op middellange en lange termijn die
vastliggen in het Milieuplan voor een duurzame ontwikkeling en in
sectorale programma's bedoeld in het decreet van 21 april 1994
betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame
ontwikkeling.
Deze normen kunnen o.a. betrekking hebben op :
1° het aanleggen van financiële garanties en de
verplichting een verzekeringspolis aan te gaan;
2° de bevoegdheid en de kwalificaties van het personeel en, met
name, op de verplichting houder van een erkenning te zijn;
3° de gegevens die regelmatig verstrekt moeten worden aan de
overheden die de Regering aanwijst, en die betrekking hebben op :
a. de emissies van de inrichting;
b. de getroffen maatregelen om milieuhinder te beperken;
c. de getroffen maatregelen voor de vorming van het personeel van de
inrichting en de voorlichting van de omwonenden;
4° het toezicht op de lozingen, met opgave van de meetmethodes,
en de frequentie ervan, de procedure voor de evaluatie van de
maatregelen en de verplichting de bevoegde overheid de nodige
gegevens te verstrekken i.v.m. de inachtneming van de
exploitatienormen;
5° de vermindering, de minimalisering of de uitschakeling van de
vervuiling, met inbegrip van de langeafstands- of
grensoverschrijdende vervuiling;
6° de voorschriften betreffende het opstarten, de lekkages, de
slechte werking, de tijdelijke en de definitieve stopzetting van de
exploitatie;
7° de verplichting voor de exploitant de plaats te saneren na
het verstrijken van de vergunning of van de aangifte, of in geval van
opschorting of intrekking van de milieuvergunning of van de
beslissing waarbij de opschorting of het verbod tot exploitatie van
een inrichting waarvoor een aangifte verlangd wordt, onverminderd de
bepalingen van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening,
Stedenbouw en Patrimonium;
8° het beheer van de afvalstoffen die de inrichting voortbrengt.
Art. 5. § 1. De algemene normen zijn van toepassing op
het geheel van de installaties en activiteiten.
§ 2. De sectorale normen zijn van toepassing op de installaties
en activiteiten van een territoriale economische sector of van een
sector waar rekening moet worden gehouden met een specifiek
risico.
De sectoren worden door de Regering aangewezen. De Regering kan de
vestiging van bepaalde installaties of activiteiten op bepaalde
plaatsen ook beperken of verbieden om de mens of het milieu te
beschermen.
De sectorale normen vullen de algemene normen aan en kunnen ervan
afwijken voor zover ze met redenen omkleed zijn.
§ 3. De integrale normen bestaan uit een geheel van
voorschriften inzake de preventie of de beperking van elke vorm van
hinder, gevaar of ongemak die de inrichting of de installatie voor de
mens of het milieu kan inhouden.
De integrale normen zijn van toepassing op de installaties van klasse
3. Ze kunnen afwijken van de algemene en sectorale normen.
In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de
bescherming van de mens of het milieu ten minste gelijk zijn aan het
resultaat dat behaald zou worden als er geen afwijking was.
Art. 6. De bevoegde overheid kan specifieke normen opleggen
die de algemene en sectorale normen van de milieuvergunning
aanvullen. De specifieke normen mogen niet minder strikt zijn dan de
algemene en sectorale normen, behalve in de gevallen en binnen de
grenzen die in deze laatste vermeld worden.
In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de mens of
het milieu ten minste gelijk zijn aan het resultaat dat behaald zou
worden als er geen afwijking was.
Art. 7. § 1. Bij het vastleggen van algemene,
sectorale of integrale normen neemt de Regering de imperatieve
waarden in acht en houdt ze rekening met de richtwaarden inzake
immissie.
§ 2. Bij het opleggen van specifieke normen neemt ook de
bevoegde overheid de imperatieve waarden in acht en houdt ze eveneens
rekening met de richtwaarden.
Wat de inachtneming van de richtwaarden betreft, houdt de bevoegde
overheid met name rekening met de specifieke kenmerken van de
inrichting en het milieu waarin ze geëxploiteerd wordt, met de
aanwezigheid of afwezigheid van andere inrichtingen of geplande
inrichtingen, met de noodzaak voor een juiste verdeling te zorgen,
en, in voorkomend geval, met de gevolgen van een vergunningweigering
op de leefbaarheid van een bedrijf en, bijgevolg, op de economische
welvaart en het tewerkstellingsniveau.
Bij het vastleggen van specifieke normen moet de bevoegde overheid
zich richten naar de door de Regering bepaalde technische
voorschriften.
Art. 8. De door de Regering vastgelegde algemene, sectorale
en integrale normen zijn gegrond op de beste beschikbare technieken.
Hierbij wordt niet geëist dat een specifieke techniek of
technologie wordt toegepast en wordt geen rekening gehouden met de
kenmerken van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de
plaatselijke milieuomstandigheden.
Art. 9. Wanneer de Regering algemene, sectorale en
integrale normen vastlegt, wijzigt of aanvult, bepaalt ze binnen
welke termijn de nieuwe normen van toepassing zijn op de bestaande
inrichtingen. Als ze geen termijn opgeeft, zijn de nieuwe normen niet
van toepassing op goedgekeurde inrichtingen of op inrichtingen die
aangegeven worden na de inwerkingtreding ervan.
Afdeling IV. - Grondslag van de verplichting tot vergunning of
aangifte
Art. 10. § 1. Inrichtingen van klasse 1 of 2 mogen
niet zonder vergunning geëxploiteerd worden.
De vergunning wordt eveneens vereist voor :
1° de verplaatsing van een inrichting van klasse 1 of 2;
2° de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse
1 of 2 wanneer ze de toepassing van een andere indelingsrubriek dan
klasse 3 tot gevolg heeft, of wanneer daardoor de risico's, hinder en
ongemakken voor mens of milieu rechtstreeks of onrechtstreeks
toenemen.
§ 2. Elke verbouwing of uitbreiding van een inrichting van
klasse 1 of 2 die niet opgenomen is in paragraaf 1, tweede lid, en
niet beantwoordt aan de bij de vergunning gevoegde beschrijving en
plannen, moet door de exploitant in een register opgenomen worden.
Overeenkomstig hoofdstuk IX kunnen de door de Regering aangewezen
ambtenaren en personeelsleden dat register op gewoon verzoek
inzien.
De Regering bepaalt de periodiciteit en de termijn binnen welke de
exploitant een afschrift van de lijst van de verbouwingen en
uitbreidingen moet overleggen aan de technisch ambtenaar en aan het
college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het
grondgebied waarvan de inrichting gelegen is.
Als de technisch ambtenaar of het college acht dat een op de lijst
vermelde verbouwing of uitbreiding overeenstemt met een verbouwing of
uitbreiding bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, vraagt
hij/het dat de exploitant binnen vijftien dagen na ontvangst van
bedoelde lijst onmiddellijk een aanvraag om milieuvergunning
indient.
§ 3. In geval van gedeeltelijke of gehele afbraak van de
inrichting beslist de bevoegde overheid bij wie een aanvraag
aanhangig is gemaakt, of een nieuwe vergunning moet worden
aangevraagd voor het geheel of voor een gedeelte van de inrichting,
overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel 2.
Art. 11. Inrichtingen van klasse 3 mogen niet zonder
voorafgaande aangifte geëxploiteerd worden.
Er wordt een nieuwe aangifte verlangd :
1° in geval van verplaatsing, verbouwing of uitbreiding, voor
zover de verbouwing of uitbreiding betrekking heeft op een activiteit
waarvoor een aangifte verlangd wordt;
2° om de tien jaar.
De verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse 3 die
daardoor in een andere klasse wordt ingedeeld, is evenwel aan een
milieuvergunning onderworpen.
Art. 12. Als een bestaande inrichting of een inrichting van
klasse 3 ondergebracht wordt in klasse 1 of 2 nadat de Regering de
lijst van de ingedeelde installaties en activiteiten heeft gewijzigd,
beschikt de exploitant over negen maanden vanaf de inwerkingtreding
van het besluit van de Regering om een aangifte te doen of een
vergunningaanvraag in te dienen. De exploitatie kan voortgezet worden
gedurende die termijn en, in het geval van een inrichting waarvoor
een vergunning wordt verlangd, tot de kennisgeving van de definitieve
beslissing betreffende de vergunningaanvraag.
Als een inrichting van klasse 1 of 2 na een wijziging in de lijst in
klasse 3 wordt ondergebracht, voldoet de reeds afgegeven vergunning
aan de verplichting tot aangifte.
Als een inrichting van klasse 1 in klasse 2 wordt ondergebracht of
een inrichting van klasse 2 in klasse 1 na een wijziging in de lijst
van de ingedeelde installaties en activiteiten, blijft de reeds
afgegeven vergunning geldig.
Afdeling V - Bevoegde overheid
Art. 13. Het college van burgemeester en schepenen van de
gemeente op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting
gepland is, is bevoegd om kennis te nemen van de aangiften en de
aanvragen om milieuvergunning.
In afwijking van het eerste lid is de technisch ambtenaar bevoegd om
kennis te nemen van de aangiften en de aanvragen om milieuvergunning
voor mobiele inrichtingen, alsmede van de aanvragen om
milieuvergunning voor inrichtingen gelegen op het grondgebied van
verschillende gemeenten.
De Regering is bevoegd om kennis te nemen van de beroepen tegen de
beslissingen betreffende milieuvergunningen die afgegeven worden door
de overheid bedoeld in het eerste en het tweede lid.
HOOFDSTUK II. - Stelsel van de aangifte
Art. 14. § 1. De aangifte wordt bij ter post
aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen
ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen
van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen
is.
In afwijking van het eerste lid :
1° wordt de aangifte voor een mobiele inrichting aan de
technisch ambtenaar gericht;
2° wordt de aangifte voor een op het grondgebied van
verschillende gemeenten gelegen inrichting gericht aan de gemeente
waarvan de naam vermeld staat in het adres van de
exploitatiezetel.
§ 2. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte,
alsmede het aantal in te dienen exemplaren.
§ 3. De aangifte is niet-ontvankelijk :
1° als ze ingediend of afgegeven wordt in strijd met artikel 14,
§ 1;
2° als krachtens artikel 14, § 2, vereiste gegevens of
stukken ontbreken.
Als de aangifte niet-ontvankelijk is, geeft de bevoegde overheid of
haar gemachtigde de aangever binnen acht dagen, te rekenen van de
datum van ontvangst van de aangifte, kennis van de beslissing en van
de redenen van de niet-ontvankelijkheid.
§ 4. Als de aangifte ontvankelijk is, verwittigt de bevoegde
overheid of haar gemachtigde de aangever en de technisch ambtenaar
binnen vijftien dagen, te rekenen van de datum waarop de aangifte in
ontvangst is genomen.
De bevoegde overheid of haar gemachtigde verwittigt ook de aanvrager
en de technisch ambtenaar binnen dezelfde termijn als de in paragraaf
5 bedoelde aanvullende normen vereist worden.
§ 5. Als de integrale normen niet volstaan voor de beperking van
de gevaren, hinder en ongemakken die de inrichting voor de mens of
het milieu tot gevolg kan hebben, kan de bevoegde overheid
aanvullende exploitatienormen opleggen binnen dertig dagen, te
rekenen van de datum waarop de aangifte in ontvangst is genomen.
In het geval bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, pleegt de
bevoegde overheid overleg met de andere gemeenten op het grondgebied
waarvan de inrichting gelegen is.
Deze aanvullende normen mogen niet minder strikt zijn dan de
integrale normen bedoeld in artikel 5, § 3.
Ze zijn van toepassing gedurende de geldigheidsperiode van de
aangifte. Ze kunnen gewijzigd worden door de bevoegde overheid, na
advies van de technisch ambtenaar.
De bevoegde overheid stuurt haar beslissing aan de aangever en een
afschrift ervan aan de technisch ambtenaar binnen de termijn bedoeld
in het eerste lid. Als de bevoegde overheid de beslissing niet binnen
die termijn verstuurt, wordt ze geacht de geplande inrichting vrij te
stellen van aanvullende exploitatienormen.
§ 6. De gemeente en de technisch ambtenaar houden een register
van de aangiften. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het
register.
Art. 15. De aangever mag de inrichting beginnen te
exploiteren :
1° vijftien dagen na de indiening van zijn aangifte als ze niet
onontvankelijk is verklaard overeenkomstig artikel 14, § 3;
2° dertig dagen na de indiening van zijn aangifte als de
bevoegde overheid aanvullende exploitatienormen voorschrijft
overeenkomstig artikel 14, § 5.
HOOFDSTUK III. - Procedure voor de toekenning van de
milieuvergunning
Afdeling I. - Aanvraag
Art. 16. De aanvraag om milieuvergunning wordt bij ter post
aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen
ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen
van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen
is.
Als de inrichting op het grondgebied van verschillende gemeenten
gelegen is, wordt de aanvraag, naar keuze van de aanvrager, tegen
ontvangbewijs afgegeven aan één van de gemeenten op het
grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is.
Art. 17. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de
aanvraag, alsmede het aantal in te dienen exemplaren, de schaal en de
inhoud van de verschillende bij te voegen plannen.
De aanvraag bevat o.a. :
1° de identiteit van de exploitant en, in voorkomend geval, zijn
technische capaciteiten en financiële middelen;
2° de ligging en de beschrijving van de geplande installaties
en/of activiteiten;
3° de lijst van de grondstoffen en bijkomende stoffen,
bestanddelen en energieën die in de installatie gebruikt of
geproduceerd worden;
4° de aard, hoeveelheden en noemenswaardige effecten van de
voorzienbare emissies van de geplande installatie en/of activiteit op
elk milieu;
5° de naam van de technieken ter voorkoming van emissies of, als
zulks niet mogelijk is, ter beperking ervan;
6° de lijst van de maatregelen waarin voorzien wordt voor de
preventie of de nuttige toepassing van de door de geplande
installatie voortgebrachte afval;
7° gegevens die als vertrouwelijk worden beschouwd of die
betrekking hebben op het fabricage- en brevetgeheim;
8° de lijst van de erfdienstbaarheden uit hoofde van de mens of
van de bij overeenkomst aangegane verplichtingen betreffende het
grondgebruik die zich tegen de uitvoering van het project kanten.
De aanvraag bevat een dossier van de milieueffectrapportering en, in
voorkomend geval, elk vereist stuk betreffende het bedwingen van de
risico's inherent aan de voornaamste ongevallen waarmee gevaarlijke
stoffen gemoeid zijn.
Art. 18. Het gemeentebestuur stuurt de aanvraag aan de
technisch ambtenaar binnen drie werkdagen, te rekenen van de dag van
ontvangst ervan, en verwittigt gelijktijdig de aanvrager bij gewone
brief.
Als het gemeentebestuur de aanvraag niet verstuurt binnen de in het
eerste lid bedoelde termijn, kan de aanvrager zich rechtstreeks tot
de technisch ambtenaar wenden door hem bij ter post aangetekend
schrijven een afschrift te sturen dat hij eensluidend verklaart met
de aanvraag die hij aanvankelijk aan het college van burgemeester en
schepenen heeft gericht.
Art. 19. De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 17
vereiste gegevens of stukken ontbreken.
De aanvraag is niet-ontvankelijk :
1° als ze in strijd met artikel 16 wordt ingediend;
2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;
3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in
artikel 20, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt.
Art. 20. De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing
waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevindt binnen
vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de
aanvraag in ontvangst neemt overeenkomstig artikel 18.
Als de aanvraag onvolledig is, wijst de technisch ambtenaar de
aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over
dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de
aangetekende brief, om de technisch ambtenaar de vereiste gegevens
per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.
De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag
volledig en ontvankelijk bevindt binnen vijftien dagen na ontvangst
van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als de technisch
ambtenaar de aanvraag een tweede keer onvolledig bevindt, verklaart
hij ze niet-ontvankelijk.
Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de technisch ambtenaar de
aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid
of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid,
op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.
Art. 21. In de beslissing waarbij de technisch ambtenaar de
aanvraag volledig en ontvankelijk verklaard overeenkomstig artikel
20, vermeldt hij de bevoegde overheid, alsmede de gemeenten waar een
onderzoek moet worden georganiseerd en de te raadplegen organen.
Dezelfde dag stuurt hij de bevoegde overheid en het college van
burgemeester en schepenen een afschrift van de beslissing waarbij de
aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard en, in voorkomend
geval, de krachtens artikel 20 ontvangen ontbrekende gegevens.
De Regering kan bepalen welke organen geraadpleegd moeten worden of
criteria vastleggen op grond waarvan de technisch ambtenaar die
organen aanwijst.
Art. 22. Als de technisch ambtenaar de aanvrager geen
beslissing heeft meegedeeld op de wijze en binnen de termijn bedoeld
in artikel 20, wordt de aanvraag ontvankelijk bevonden. In dat geval
stuurt de technisch ambtenaar het aanvraagdossier aan de bevoegde
overheid en wordt de procedure voortgezet.
Art. 23. De termijn voor de procedure tot de besluitvorming
bedoeld in artikel 35 gaat in :
1° de dag waarop de technisch ambtenaar zijn beslissing
verstuurt waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard;
2° zo niet, de dag na de termijn die hem wordt toegestaan om
zijn beslissing te versturen waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt
verklaard.
Afdeling II. - Openbaar onderzoek
Art. 24. Behalve afwijkingen bepaald bij dit decreet of
door de Regering, moet elk project waarvoor een milieuvergunning
wordt verlangd, onderworpen worden aan een openbaar onderzoek
betreffende de eventuele effecten op de belangen en aspecten bedoeld
in artikel 2.
De afwijkingen bedoeld in het eerste lid worden slechts toegestaan
met inachtneming van de vigerende Europese wetgeving en voor
projecten die niet geen noemenswaardig risico, hinder of ongemak voor
de mens of het milieu inhouden.
Art. 25. Het openbaar onderzoek dient voornamelijk om de
aanvraag en de desbetreffende gegevens ter inzage te leggen van de
bevolking en haar de mogelijkheid te geven opmerkingen en bezwaren
i.v.m. het project te formuleren en, tot slot, de aanvrager in staat
te stellen de bevolking te wijzen op het belang van het project voor
een duurzame ontwikkeling.
Het openbaar onderzoek wordt georganiseerd door het college van
burgemeester en schepenen van de gemeenten(n) op het grondgebied
waarvan het project uitgevoerd moet worden.
De Regering kan bovendien criteria vastleggen om te bepalen in welke
andere gemeenten een onderzoek moet worden georganiseerd als het
project ook daar gevaar, hinder of ongemakken voor de mens of het
milieu kan veroorzaken.
Art. 26. § 1. Voor de uitvoering van het openbaar
onderzoek heeft de Regering de volgende regels bepaald :
1° het moet ten minste vijftien dagen duren;
2° de dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op
werkdagen en ten minste één dag tot twintig uur, of op
zaterdagochtend;
3° opmerkingen en bezwaren mogen schriftelijk of mondeling
ingediend worden tot de slotdag van het onderzoek;
4° technische uitleg kan verkregen worden op de door de Regering
bepaalde wijze.
De Regering bepaalt met name de duur van het openbaar onderzoek en de
aan een onderzoek te onderwerpen stukken.
De Regering of de gemeente kan een bijkomende wijze van
openbaarmaking en raadpleging opleggen.
De Regering kan in het kader van het openbaar onderzoek voorzien in
bijzondere voorschriften voor mobiele, tijdelijke of
proefinrichtingen.
§ 2. Het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en
15 augustus.
De opschorting houdt de verlenging in van :
1° de in artikel 30 bedoelde termijn waarover de geraadpleegde
organen beschikken om advies uit te brengen;
2° de in artikel 32 bedoelde termijn waarover de technisch
ambtenaar beschikt om het syntheserapport over te maken;
3° de in artikel 35 bedoelde termijn waarover de bevoegde
overheid beschikt om haar beslissing aan de aanvrager te sturen.
Art. 27. Na de sluiting van het openbaar onderzoek maakt
het college van burgemeester en schepenen notulen op, alsmede een
synthese van de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het
onderzoek zijn geformuleerd.
Art. 28. Het college van burgemeester en schepenen van de
gemeente waar een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, stuurt de
technisch ambtenaar binnen tien dagen na de sluiting van het
onderzoek de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het
onderzoek zijn geformuleerd, met inbegrip van de notulen en de
synthese bedoeld in artikel 27. Hij voegt er eventueel zijn advies
bij.
Art. 29. Als het college van burgemeester en schepenen bij
de organisatie van het openbaar onderzoek zijn verplichtingen niet
nakomt, kan de technisch ambtenaar hem bij aangetekend schrijven een
met redenen omklede waarschuwing sturen waarbij hij wijst op de
maatregelen die het verzuimt te nemen en waarbij hem een redelijke
termijn wordt toegestaan om orde op zaken te stellen en zijn houding
te rechtvaardigen.
Indien geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing, kan de
technisch ambtenaar zich op de door de Regering bepaalde wijze in de
plaats stellen van het college en elke nuttige maatregel treffen in
de plaats van de gemeentelijke overheid.
Afdeling III. - Advies
Art. 30. De technisch ambtenaar maakt het aanvraagdossier
voor advies over aan de verschillende organen die hij aanwijst, de
dag waarop hij de bevoegde overheid zijn beslissing toestuurt waarbij
de aanvraag overeenkomstig artikel 21 volledig en ontvankelijk wordt
bevonden, of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 20, eerste
en derde lid.
Deze organen verzenden of geven hun advies af tegen ontvangbewijs
binnen een termijn van zestig dagen als de aanvraag een inrichting
van klasse 1 betreft, of binnen dertig dagen als ze een inrichting
van klasse 2 betreft, te rekenen van de datum waarop de aanvraag
aanhangig wordt gemaakt bij de technisch ambtenaar.
Als het advies niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn
tegen ontvangbewijs wordt verzonden of afgegeven, wordt het geacht
gunstig te zijn.
Art. 31. Op verzoek van de technisch ambtenaar of van
één van de geraadpleegde besturen en overheden, plegen
deze laatste ten minste één keer overleg om hun
standpunt over het project te harmoniseren.
De overlegregels worden door de Regering vastgelegd.
Art. 32. § 1. Op basis van de ingewonnen adviezen
maakt de technisch ambtenaar een syntheserapport op. Dat rapport
bevat de tijdens de procedure ingewonnen adviezen, alsmede het advies
van de technisch ambtenaar waarbij een voorstel van beslissing gaat,
met, in voorkomend geval, specifieke exploitatienormen.
Het syntheserapport wordt aan de bevoegde overheid overgemaakt binnen
een termijn van :
1° vijftig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op
een inrichting van klasse 2;
2° honderd dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op
een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een
specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter
waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het
Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en
Patrimonium;
3° honderd en tien dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld
wordt.
De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het
syntheserapport overmaakt.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn kan verlengd worden bij
beslissing van de technisch ambtenaar. De verlengde termijn mag niet
langer lopen dan dertig dagen. Deze beslissing wordt binnen de in
paragraaf 1, tweede lid, bedoelde termijn aan de bevoegde overheid en
de aanvrager gestuurd.
Art. 33. De Regering bepaalt de minimale inhoud van de
adviezen.
Elk advies wordt met redenen omkleed.
Art. 34. Als het syntheserapport niet binnen de
voorgeschreven termijn aan de bevoegde overheid wordt gestuurd, zet
deze laatste de procedure voort rekening houdende met het dossier van
de effectrapportering, de resultaten van het onderzoek, het
overeenkomstig artikel 28 uitgebrachte advies van het of de
college(s) van burgemeester en schepenen, en met elk nader gegeven
waarover ze beschikt.
Afdeling V. - Beslissing
Art. 35. De bevoegde overheid stuurt haar beslissing bij
ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager en aan de technisch
ambtenaar als deze laatste niet de bevoegde overheid is, en bij
gewone post aan elke geraadpleegde overheid en elk geraadpleegd
bestuur binnen een termijn van :
1° zeventig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op
een inrichting van klasse 2;
2° honderddertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een
bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een
industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals
bepaald bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw
en Patrimonium;
3° honderdveertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld
wordt.
Als het syntheserapport overgemaakt wordt voor het verstrijken van de
termijn bedoeld in artikel 32,
§ 1, tweede lid, stuurt de bevoegde overheid, in afwijking van
het eerste lid, haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven
aan de aanvrager en aan de technisch ambtenaar als deze laatste niet
de bevoegde overheid is, en bij gewone post aan elke geraadpleegde
overheid en elk geraadpleegd bestuur binnen een termijn van :
1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen
van klasse 2;
2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen
van klasse 1.
In de hypothese van artikel 32, § 2, wordt de termijn waarover
de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te verzenden
verlengd met dezelfde termijn als die door de technisch ambtenaar
bepaald wordt.
Art. 36. De technisch ambtenaar en de gemeente houden elk
een vergunningenregister. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud
van het register.
Art. 37. Als het syntheserapport overeenkomstig artikel 32
wordt verzonden en een gunstig advies van de technisch ambtenaar
alsmede, in voorkomend geval, specifieke normen bevat, wordt de
beslissing, indien ze niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn
is verstuurd, geacht genomen te zijn overeenkomstig de algemene en
sectorale normen bedoeld in artikel 5 en de specifieke normen die
eventueel opgenomen zijn in het in artikel 32 bedoelde
syntheserapport dat de technisch ambtenaar aan de aanvrager
stuurt.
Als de beslissing niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn wordt
verzonden en als het syntheserapport niet overeenkomstig artikel 32
wordt verzonden of een ongunstig advies van de technisch ambtenaar
bevat, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn.
Art. 38. § 1. In de gemeente(n) op het grondgebied
waarvan een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, laat de
burgemeester gedurende minimum tien dagen een bericht aanplakken met
de volgende gegevens :
1° het voorwerp van de beslissing;
2° de plaats(en) waar de beslissing ter inzage ligt;
3° de dagen waarop de beslissing ter inzage ligt, waarvan ten
minste één werkdag per week tot twintig uur of
zaterdagochtend;
4° het adres van het door de Regering aangewezen bestuur waar de
bezwaren kunnen worden ingediend, alsmede de desbetreffende
voorschriften en termijnen;
5° het recht om inzage te nemen van het dossier bij de diensten
van de bevoegde overheid, binnen de perken bepaald bij het decreet
van 13 juni 1991 betreffende de vrije toegang van de burger tot
informatie over het leefmilieu.
§ 2. Het bericht wordt aangeplakt binnen tien dagen hetzij nadat
het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft
genomen, hetzij na ontvangst van de beslissing door het
gemeentebestuur, hetzij na afloop van de in artikel 35 bedoelde
termijn :
1° nabij de plaats waar het project uitgevoerd moet worden, op
een plek die zichtbaar is vanaf de openbare weg;
2° in het gemeentehuis;
3° op de gebruikelijke aanplakplaatsen.
Aan het einde van de aanplaktermijn bevestigt de burgemeester de
aanplakking aan de hand van een attest.
De aanplaktermijn loopt vanaf de dag volgend op de eerste dag van
aanplakking.
§ 3. Gedurende de hele aanplakperiode worden de aanvraag en de
beslissing, of het daarmee gelijkgestelde document, ter inzage
afgegeven bij de diensten van het gemeentebestuur van de gemeente(n)
op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden.
§ 4. Als het college van burgemeester en schepenen verzuimt het
bericht binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn aan te plakken, kan
elke belanghebbende persoon, vooraleer de vergunning in werking
treedt, de technisch ambtenaar bij aangetekend schrijven aanmanen
binnen vijftien dagen orde op zaken te stellen en de aanplakking aan
de hand van een attest te bevestigen.
Afdeling V. - Vereenvoudigde procedure
Art. 39. De aanvragen voor tijdelijke inrichtingen en
proefinrichtingen worden onderworpen aan een vereenvoudigde procedure
waarvan de regels in de leden 2 tot 6 vastliggen.
In afwijking van artikel 24, eerste lid, en binnen de perken bedoeld
in het tweede lid van die bepaling, zijn de aanvragen voor tijdelijke
inrichtingen en proefinrichtingen niet onderworpen aan een openbaar
onderzoek. Als desalniettemin een openbaar onderzoek wordt
geëist, mag het niet langer duren dan vijftien dagen.
In afwijking van artikel 30, tweede lid, verzenden de organen hun
advies binnen een termijn van twintig dagen.
In afwijking van artikel 32, § 1, tweede lid, wordt het
syntheserapport van de technisch ambtenaar binnen een termijn van
dertig dagen aan de bevoegde overheid gestuurd.
In afwijking van artikel 32 verstuurt de bevoegde overheid haar
beslissing binnen een termijn van veertig dagen.
Als de beslissing niet binnen die termijn wordt verzonden :
1° wordt de beslissing geacht genomen te zijn overeenkomstig de
algemene en sectorale normen bedoeld in artikel 5 en, in voorkomend
geval, de specifieke normen bedoeld in het syntheserapport, als het
rapport overeenkomstig het vierde lid is verstuurd en een gunstig
advies van de technisch ambtenaar bevat;
2° of wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn, als het
syntheserapport niet overeenkomstig het vierde lid is verzonden of
een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat.
In de gemeente(n) op het grondgebied waarvan de vestiging van de
inrichting gepland is, laat de burgemeester een bericht aanplakken
volgens dezelfde voorschriften als die bedoeld in artikel 38.
HOOFDSTUK IV. - Beroep
Art. 40. § 1. Elke belangstellende natuurlijke of
rechtspersoon of de technisch ambtenaar kan bij de Regering een
beroep instellen tegen de beslissingen van de in artikel 13, eerste
en tweede lid, bedoelde overheden m.b.t. de afgifte van
milieuvergunningen voor niet-tijdeljke inrichtingen en tegen het feit
dat die overheden na afloop van de in artikel 35 bedoelde termijn
geen beslissing hebben genomen.
Het feit dat de in artikel 13, eerste lid, bedoelde overheden geen
beslissing hebben genomen i.v.m. de afgifte van milieuvergunningen
voor niet-tijdelijke inrichtingen houdt in dat die overheden geen
beroep kunnen indienen.
Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij ter post
aangetekende brief tegen bericht van ontvangst verstuurd of tegen
ontvangbewijs afgegeven aan de inzake beroepen bevoegde technisch
ambtenaar, binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van :
1° de dag van ontvangst van de in artikel 35 bedoelde beslissing
voor de aanvrager en de technisch ambtenaar;
2° de eerste dag van aanplakking van de beslissing
overeenkomstig artikel 38 voor de personen die niet onder 1°
opgenomen zijn. Als de beslissing in verschillende gemeenten wordt
aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de twintigste dag volgend
op de eerste dag van aanplakking in de gemeente die de beslissing in
laatste instantie laten aanplakken.
§ 2. Het beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behalve
als het door de technisch ambtenaar wordt ingesteld.
§ 3. De technisch ambtenaar maakt een syntheserapport op, met
name op grond van de krachtens § 6 ingewonnen adviezen. Dat
rapport bevat de in artikel 32 bedoelde gegevens.
Het syntheserapport wordt aan de Regering gestuurd binnen een termijn
van :
1° vijftig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 2;
2° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke
bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de
bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek
van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
3° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is.
De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het
beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te
lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.
De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het
syntheserapport overmaakt.
§ 4. De Regering stuurt de aanvrager haar beslissing binnen een
termijn van :
1° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 2;
2° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke
bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de
bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek
van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
3° honderd en tien dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is.
De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het
beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te
lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.
Als het syntheserapport vóór het verstrijken van de in
§ 3 bedoelde termijn wordt overgemaakt, stuurt de Regering, in
afwijking van het eerste lid, haar beslissing binnen een termijn van
:
1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen
van klasse 2;
2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen
van klasse 1.
Als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in
de leden 1 à 3 :
1° wordt ze geacht genomen te zijn met inachtneming van de
algemene en sectorale normen en, in voorkomend geval, van de
specifieke normen die in het syntheserapport vastliggen, als het
syntheserapport overeenkomstig § 3 is overgemaakt of als het een
gunstig advies van de technisch ambtenaar bevat;
2° wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd,
als het syntheserapport niet overeenkomstig § 3 is overgemaakt
en als het een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat.
§ 5. De Regering zendt haar beslissing gelijktijdig :
1° aan de overheid die in eerste instantie bevoegd is;
2° aan de overheden en besturen die in de loop van de procedure
advies hebben uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn;
3° aan de exploitant als hij niet de aanvrager is.
Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de bevolking in elke
gemeente waar een openbaar onderzoek wordt ingesteld volgens de
voorschriften en binnen de termijn bedoeld in artikel 38.
§ 6. De Regering bepaalt :
1° de gegevens die het beroep moet bevatten, de vorm ervan en
het aantal in te dienen exemplaren;
2° de voorschriften volgens welke het beroep ter kennis van de
bevolking wordt gebracht;
3° de wijze waarop het beroep wordt onderzocht, de te raadplegen
instellingen en de termijnen binnen welke de adviezen worden
uitgebracht. Als een advies niet binnen de voorgeschreven termijn
wordt verzonden of tegen ontvangbewijs afgegeven, wordt het geacht
gunstig te zijn.
§ 7. Als de vergunningweigering voortvloeit uit het gebrek aan
beslissing in eerste instantie en in beroep en als geen enkel
syntheserapport is overgemaakt binnen de voorgeschreven termijnen,
moet het Gewest een vergoeding betalen die gelijk is aan twintig maal
het bedrag van het in artikel 177, tweede lid, 1° en 2°,
bedoelde dossiersrecht. De vergoedingsaanvragen vallen onder de
bevoegdheid van de hoven en rechtbanken.
Art. 41. De aangever kan een niet-opschortend beroep bij de
Regering instellen tegen de beslissingen bedoeld in artikel 14,
§ 5.
Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verstuurd of
afgegeven tegen ontvangbewijs binnen een termijn van twintig dagen,
te rekenen van de dag waarop de aangever de in artikel 14, § 5,
bedoelde beslissing in ontvangst neemt.
De Regering beslist na het advies van de technisch ambtenaar te
hebben ingewonnen. De Regering stuurt haar beslissing binnen een
termijn van dertig dagen, te rekenen van de eerste dag na de
ontvangst van het beroep. Als de beslissing niet binnen deze termijn
wordt verzonden, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.
HOOFDSTUK V. - Verbouwing en uitbreiding van een ingedeelde
inrichting
Art. 42. Onverminderd het tweede lid valt elke in de
artikelen 10, § 1, tweede lid, 2°, of 11, derde lid,
bedoelde verbouwing of uitbreiding van een ingedeelde inrichting
onder de bepalingen van de hoofdstukken III en IV.
Als de geplande verbouwing of uitbreiding niet van dien aard is dat
ze de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken kan
vergroten, kan de bevoegde overheid op voorstel van de technisch
ambtenaar beslissen de aanvraag niet aan een openbaar onderzoek te
onderwerpen.
HOOFDSTUK VI. - Mobiele inrichtingen
Art. 43. De verleende milieuvergunning of de aangifte geldt
voor het geheel van de sites waar de inrichting geëxploiteerd
wordt of zal worden.
Wanneer de technisch ambtenaar een vergunning voor een mobiele
inrichting afgeeft, schrijft hij exploitatienormen voor op grond
waarvan de inrichting overeenkomstig artikel 2 wordt
geëxploiteerd, ongeacht de plaats van de exploitatie.
Hij kan met name een beperkte lijst van plaatsen opgeven waar
exploitatie toegelaten is, of exploitatie op bepaalde plaatsen
uitsluiten.
Art. 44. De exploitant stuurt ten minste vijftien dagen
vóór elke inwerkingtreding, op een verschillende
plaats, van een vergunning voor mobiele inrichtingen een afschrift
van de vergunning of van de aangifte, met opgave van de duur en de
exploitatieplaats, aan het college van burgemeester en schepenen van
de gemeente op het grondgebied waarvan de exploitatie zal
plaatsvinden, alsmede aan de technisch ambtenaar.
HOOFDSTUK VII. - Inhoud en gevolgen van de milieuvergunning
Afdeling I. - Inhoud van de beslissing
Art. 45. § 1. De beslissing waarbij de vergunning
wordt verleend, vermeldt op zijn minst :
1° de identiteit van de exploitant;
2° de ligging, de identificatie en de beschrijving van de
goedgekeurde inrichting(en);
3° de duur van de vergunning en de datum waarop ze wordt
afgegeven;
4° de termijn binnen welke de vergunning ten uitvoer moet worden
gebracht;
5° de melding dat de vergunning begint te lopen vanaf de dag
waarop ze uitvoerbaar wordt overeenkomstig artikel 46;
6° de voorschriften inzake de lucht-, water- en grondbescherming
en de maatregelen betreffende het beheer van de door de inrichting
voortgebrachte afval;
7° de maatregelen en de termijn voor de sanering van de
inrichting aan het einde van de exploitatie ervan.
In voorkomend geval bevat ze ook :
1° de specifieke exploitatienormen en de technische en
financiële garanties die de bevoegde overheid nodig acht;
2° de dag waarop de vergunning uitvoerbaar wordt, ingeval ze na
beroep wordt verleend;
3° de gewijzigde of aangevulde gegevens van de oorspronkelijke
vergunning als de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend,
betrekking heeft op de verbouwing of de uitbreiding van een
inrichting.
§ 2. De Regering bepaalt welke andere gegevens in de vergunning
vermeld moeten worden.
Afdeling II. - Gevolgen van de vergunning
Art. 46. Onverminderd de artikelen 40, § 2, 54, 55,
§ 3, en 57, tweede lid, is de beslissing waarbij de vergunning
wordt verleend, uitvoerbaar vanaf :
1° de dag na afloop van de in artikel 40, § 1, bedoelde
termijn binnen welke het beroep moet worden ingesteld;
2° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of,
zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor beroepen
bevoegde overheid beschikt om een beslissing te nemen, als de
vergunning na beroep wordt verleend;
3° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of,
zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor bevoegde
overheid beschikt om zich uit te spreken als de beslissing waarbij de
vergunning wordt verleend niet vatbaar is voor beroep.
Art. 47. Voor zover de door de Regering bepaalde regels van
openbaarmaking in acht worden genomen, heeft de vergunning tot gevolg
dat de in de aanvraag vermelde erfdienstbaarheden die het gevolg zijn
van de daad van de mens en verbintenissen bij overeenkomst vervallen
of gewijzigd worden, onverminderd de door de aanvrager te betalen
vergoeding van de houders van deze rechten.
Art. 48. De verleende vergunning vervalt :
1° als ze niet ten uitvoer wordt gebracht vóór het
verstrijken van de door de overheid overeenkomstig artikel 53, §
1, vastgelegde termijn;
2° als de goedgekeurde inrichting niet geëxploiteerd wordt
gedurende twee opeenvolgende jaren.
Art. 49. De krachtens dit decreet verleende vergunningen
benadelen de rechten van derden niet.
Afdeling III. - Geldigheidsduur van de vergunning
Art. 50. § 1. Onverminderd de artikelen 1, 4°, en
52, wordt de vergunning verleend voor maximum twintig jaar.
De bevoegde overheid kan de specifieke exploitatienormen opgeven die
vóór het verstrijken van de vergunning moeten worden
herzien, alsmede de datum waarop de aanvraag om hernieuwing moet
worden ingediend.
§ 2. De Regering kan een kortere maximale geldigheidsduur
bepalen voor de ingedeelde installaties en activiteiten die zij
aanwijst.
§ 3. De geldigheidsduur van de vergunning wordt berekend vanaf
de dag waarop de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend,
overeenkomstig artikel 46 uitvoerbaar wordt.
Art. 51. Als de vergunning betrekking heeft op de
verbouwing of de uitbreiding van een inrichting, wordt ze verleend
voor een termijn die verstrijkt uiterlijk de dag waarop de vergunning
voor de oorspronkelijke inrichting verstrijkt.
Art. 52. § 1. De geldigheidsduur van de vergunning kan
niet verlengd worden, behalve voor een tijdelijke inrichting.
De voor een tijdelijke inrichting verleende vergunning mag
één keer verlengd worden met een duur die maximum
gelijk is aan die van de oorspronkelijke vergunning, zonder evenwel
één jaar te mogen overschrijden.
§ 2. De Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag om
verlenging van de voor een tijdelijke inrichting verleende
vergunning.
Afdeling IV. - Tenuitvoerlegging van de vergunning
Art. 53. § 1. De overheid die een milieuvergunning
verleent, bepaalt de termijn binnen welke deze ten uitvoer moet
worden gelegd. Die termijn mag niet langer lopen dan twee jaar. De
overheid kan op bijzonder met redenen omkleed verzoek evenwel een
nieuwe vergunning voor maximum twee jaar verlenen.
Voor een tijdelijke inrichting mag de termijn voor de
tenuitvoerlegging van de vergunning niet langer lopen dan
één jaar.
§ 2. De termijn voor de tenuitvoerlegging van de vergunning
begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de
vergunning wordt verleend, uitvoerbaar wordt.
Art. 54. De Regering bepaalt de gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van de vergunning afhangt van de verwerving door de
vergunninghouder van zakelijke rechten op de goederen waarop de
exploitatie betrekking heeft.
HOOFDSTUK VIII. - Exploitatienormen en verplichtingen van de
exploitant
Afdeling I. - Exploitatienormen
Art. 55. § 1. Op voorstel van de technisch ambtenaar,
dat in in het syntheserapport opgenomen is, kan de bevoegde overheid
verlangen dat de exploitant vóór de tenuitvoerlegging
van de milieuvergunning ten gunste van de Regering een zekerheid
stelt om aan te geven dat hij zijn verplichtingen inzake de sanering
van de site zal nakomen. Het bedrag van de zekerheid stemt overeen
met de prijs die de openbare overheid zou moeten betalen voor de
sanering.
De Regering bepaalt de gevallen waarin hoe dan ook een zekerheid
verlangd wordt. Voor de installaties die ze aanwijst kan ze bepalen
dat het bedrag van de zekerheid de kosten dekt voor de periode binnen
welke de inrichting onderhouden wordt en onder controle en toezicht
staat.
§ 2. De zekerheid wordt ten belope van het in de vergunning
bepaalde bedrag gesteld d.m.v. een deposito bij de deposito- en
consignatiekas, een onafhankelijke bankgarantie of elke andere vorm
van zekerheid die de Regering bepaalt, naar keuze van de
aanvrager.
Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een storting in contanten, moet
de exploitant van de inrichting de zekerheid jaarlijks verhogen ten
belope van de gedurende het afgelopen jaar opgebrachte
interesten.
Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een onafhankelijke
bankgarantie, moet deze uitgegeven worden door een kredietinstelling
die erkend is door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of
door een overheid van een Lidstaat van de Europese Unie die
gemachtigd is om kredietinstellingen te controleren.
De milieuvergunning kan bepalen dat de zekerheid in tranches wordt
gesteld, voor zover deze overeenstemmen met exploitatiefases bedoeld
in de vergunning.
§ 3. Als een zekerheid wordt verlangd, is de milieuvergunning
pas uitvoerbaar als de technisch ambtenaar bevestigt dat de zekerheid
gesteld is.
Als de zekerheid in tranches wordt gesteld, is de milieuvergunning
voor een deel van de exploitatie pas uitvoerbaar wanneer de technisch
ambtenaar bevestigt dat de overeenstemmende tranche van de vereiste
zekerheid gesteld is.
§ 4. Op voorstel van de technisch ambtenaar waarbij een evolutie
van de geraamde saneringskosten wordt gerechtvaardigd, kan de
overheid die bevoegd is om de milieuvergunning in eerste instantie te
verlenen het bedrag van de zekerheid in de loop van de exploitatie
wijzigen.
§ 5. De technisch ambtenaar moet de sanering vaststellen binnen
een termijn van zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de
exploitant de aanvraag om vaststelling heeft ingediend. Als geen
beslissing wordt genomen binnen de voorgeschreven termijn, wordt de
sanering geacht conform te zijn.
Na afloop van een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag
waarop de sanering is vastgesteld, en als de technisch ambtenaar geen
voorbehoud maakt, wordt de zekerheid vrijgegeven en worden de
eventuele interesten terugbetaald overeenkomstig de voorschriften van
§ 7.
§ 6. De technisch ambtenaar kan één enkele
bijkomende termijn toestaan voor de sanering. Als de plaats niet
gesaneerd is binnen de voorgeschreven termijn, laat de Regering van
ambtswege tot de sanering overgaan door de zekerheidstelling te
eisen.
Als het bedrag onvoldoende is, verhaalt de Regering de aanvullende
kosten op de houder van de vergunning.
§ 7. De Regering kan bijkomende bepalingen opleggen waaraan de
zekerheden moeten voldoen, en, in voorkomend geval,
standaard-zekerheidsvoorwaarden. Ze bepaalt de wijze waarop de
zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de exploitant al zijn
verplichtingen inzake de sanering nakomt, alsmede de procedure in
geval van niet-nakoming van deze verplichtingen.
Art. 56. Onverminderd artikel 8 houdt de bevoegde overheid,
wanneer ze specifieke exploitatienormen oplegt, rekening met de
resultaten die geboekt kunnen worden door een beroep te doen op de
beste beschikbare technieken, zonder het gebruik van een specifieke
techniek of technologie op te leggen en met inachtneming van de
eigenschappen van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de
plaatselijke milieuomstandigheden.
Als de milieukwaliteit strengere normen vereist dan die welke
verkregen kunnen worden door een beroep te doen op de in het eerste
lid bedoelde technieken, legt de bevoegde overheid bijkomende
specifieke normen op.
Afdeling II. - Verplichtingen van de exploitant
Art. 57. De exploitant die een milieuvergunning heeft
verkregen, stelt de bevoegde overheid, het college van burgemeester
en schepenen en de technisch ambtenaar ten minste vijftien dagen
vóór de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in
kennis van de datum ervan.
De bevoegde overheid of de Regering kan bepalen in welke gevallen de
tenuitvoerlegging van de milieuvergunning onderworpen is aan de
voorafgaande goedkeuring van de technisch ambtenaar en de termijn
binnen welke ze goedgekeurd moet worden.
Art. 58. § 1. De exploitant van een inrichting van
klasse 1 of 2 moet voldoen aan de algemene, sectorale en specifieke
normen of, in het geval van een inrichting van klasse 3, aan de
algemene, sectorale en specifieke normen die van toepassing zijn op
zijn inrichting en aan de aanvullende normen die de bevoegde overheid
eventueel heeft voorgeschreven op grond van artikel 14, § 5.
Wanneer de bevoegde overheid specifieke normen oplegt en, in
voorkomend geval, de in artikel 14, § 5, bedoelde specifieke
normen, kan zij evenwel bepalen binnen welke termijn de normen moeten
worden toegepast.
§ 2. Ongeacht de verleende vergunning of de aangifte en
onverminderd de bij andere bepalingen opgelegde verplichtingen, moet
de exploitant van een inrichting :
1° de nodige voorzorgen nemen om de aan de inrichting inherente
risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen;
2° de bevoegde overheid onmiddellijk in kennis stellen van elk
ongeval of incident dat de in artikel 2 bedoelde belangen zou kunnen
schaden;
3° de ambtenaren en bevoegde personeelsleden de nodige bijstand
verlenen zodat ze de in artikel 61, § 1, 3°, 4° en
5° bedoelde acties tot een goed eind kunnen brengen;
4° de bevoegde overheid en de technisch ambtenaar ten minste 10
dagen vóór de stopzetting van een activiteit in kennis
stellen daarvan, behalve overmacht.
Art. 59. De exploitant bewaart op de plaats van de
inrichting of op elke andere met de bevoegde overheid overeengekomen
plaats het geheel van de geldende vergunningen of aangiften, alsmede
elke beslissing van de bevoegde overheid waarbij de in artikel 14,
§ 5, bedoelde aanvullende exploitatienormen worden opgelegd en,
in voorkomend geval, de lijst van de incidenten en ongevallen bedoeld
in artikel 58, § 2, 2°.
Afdeling III. - Verandering van exploitant
Art. 60. § 1. Als een inrichting geheel of
gedeeltelijk wordt geëxploiteerd door een andere persoon dan de
houder van een milieuvergunning of, in het geval van een inrichting
van klasse 3, door een andere persoon dan de aangever, wordt de
overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste instantie af te
geven, daarvan gelijktijdig in kennis gesteld door de overdrager of
zijn rechthebbenden en de overnemer.
In dat geval bevestigt de overnemer schriftelijk dat hij kennis heeft
genomen van de vergunning of de aangifte en van de eventuele
aanvullende normen die de bevoegde overheid heeft voorgeschreven op
grond van artikel 14, § 5, dat hij dezelfde activiteit voortzet
en de in de milieuvergunning vastliggende normen of de eventueel
voorgeschreven aanvullende normen aanvaardt.
De bevoegde overheid verleent onmiddellijk akte van haar aangifte aan
de overnemer en stelt de technisch ambtenaar in kennis daarvan.
§ 2. Zolang de overdracht niet gezamenlijk is aangegeven en, in
voorkomend geval, geen nieuwe zekerheid is gesteld, blijft de
overdragende exploitant of zijn rechthebbenden samen met de overnemer
hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zou kunnen ontstaan als
de nieuwe exploitant niet voldoet aan de exploitatienormen die van
toepassing zijn op zijn inrichting.
§ 3. De Regering kan de overdracht van de vergunningen verbieden
voor de inrichtingen die ze aanwijst, of aan andere normen
onderwerpen.
§ 4. Bij elke akte tot overdracht of aanwijzing van onroerende
zakelijke rechten op de inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 van de
hypotheekwet van 16 december 1851, leest de notaris dit artikel voor
aan de aanwezige partijen en vermeldt hij het in de akte.
HOOFDSTUK IX. - Toezicht en administratieve maatregelen
Afdeling I. - Toezicht en inspectie
Art. 61. § 1. Onverminderd de plichten van de
officieren van de gerechtelijke politie zijn de burgemeester en de
door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om
toe te zien op de uitvoering van het decreet en de
uitvoeringsbesluiten ervan. Daartoe kunnen ze in het kader van hun
opdracht :
1° elk ogenblik van de dag of de nacht alle plaatsen - zelfs
gesloten en overdekte - betreden wanneer ernstige redenen laten
vermoeden dat een overtreding van het decreet of de
uitvoeringsbesluiten ervan wordt begaan; als het gaat om een als
hoofdverblijfplaats bewoonde inrichting, wordt de voorafgaande
toestemming van de onderzoeksrechter vereist;
2° de gemeentepolitie en de rijkswacht om bijstand vragen;
3° op grond van ernstige aanwijzingen van overtreding de nodige
onderzoeken, controles en enquêtes instellen, alsook alle
gegevens inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen
dat de bepalingen van het decreet daadwerkelijk worden in acht
genomen, en met name :
a) elke persoon ondervragen over elk feit waarvan de kennisneming
nuttig is voor de uitoefening van het toezicht;
b) zich ter plaatse alle documenten, stukken of titels laten
overleggen of opzoeken die nuttig zijn in het kader van hun opdracht,
er een fotokopie of een ander afschrift van nemen of ze tegen
ontvangbewijs meenemen;
4° monsters nemen volgens de door de Regering bepaalde
voorschriften;
5° analyses laten uitvoeren volgens de overeenkomstig artikel 62
vastgestelde voorschriften. Als uit het analyseprotocol blijkt dat
een overtreding is begaan, wordt proces-verbaal opgemaakt,
overeenkomstig § 2, 2°, van dit artikel.
Bovendien wordt in het proces-verbaal vermeld dat de overtreder een
tegenanalyse op eigen kosten kan laten verrichten;
6° de voor het vervoer gebruikte voertuigen tegenhouden, de
lading ervan controleren;
7° de nodige bewarende maatregelen nemen met het oog op het
beheer van het bewijs en met name binnen een termijn van maximum
tweeënzeventig uren :
a) verbieden voorwerpen te verplaatsen of de inrichtingen of
installaties verzegelen waar vermoedelijk een overtreding is
begaan;
b) de vervoermiddelen en andere toestellen waarmee een overtreding
zou kunnen zijn begaan, tegenhouden, tot stilstand brengen of
verzegelen.
Ze verwittigen binnen 24 uur de procureur des Konings en de overheid
die in eerste instantie bevoegd is.
De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank
van eerste aanleg van hun verblijfplaats. De hoofdgriffier maakt een
afschrift van de aanstellingsakte en van de akte van eedaflegging
over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg gelegen
in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het personeelslid zijn ambt
moet uitoefenen.
In het geval van een gewone verandering van verblijfplaats moeten ze
geen nieuwe eed afleggen.
§ 2. In geval van overtreding van dit decreet en van de
uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren
en personeelsleden :
1° de overtreder een termijn toestaan om orde op zaken te
stellen. Deze termijn kan slechts één keer verlengd
worden. De ambtenaar of het personeelslid deelt de getroffen
maatregelen mee aan de procureur des Konings en aan de burgemeester
van de gemeente waar de inrichting gelegen is. Na afloop van de
termijn of van de verlengde termijn, al naar gelang het geval, maakt
de ambtenaar of het personeelslid een verslag op dat hij binnen
vijftien dagen aan de overtreder en aan de procureur des Konings
zendt;
2° een proces-verbaal opmaken dat bewijskracht heeft, tenzij het
tegendeel is bewezen; dit proces-verbaal wordt binnen vijftien dagen
na de vaststelling van de overtreding of na afloop van de in 1°
bedoelde termijn bij ter post aangetekende brief gezonden aan de
procureur des Konings en aan de overtreder, op straffe van
nietigheid.
§ 3. In de verslagen en processen-verbaal kan de ambtenaar of
het personeelslid, als hij/het zulks gepast acht, de procureur des
Konings voorstellen de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van
strafvordering toe te passen. In voorkomend geval maakt hij/het gewag
van de analyse- of expertisekosten.
Art. 62. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de
erkenning van de laboratoria die met de officiële analyses
belast worden. Ze kan types van analyseprotocollen bepalen,alsmede
methodes voor de analyses en tegenanalyses, voorschriften voor de
verdeling van de analyses onder de laboratoria en regels voor de
financiering van de analyses en monsternemingen.
Als de algemene, sectorale, specifieke of integrale normen
voorschriften bevatten i.v.m. de analyse- en monsternemingstechnieken
of als de Regering er afzonderlijk heeft opgelegd, moeten de
monsternemingen, analyses en tegenanalyses volgens die voorschriften
verricht worden.
Art. 63. Onverminderd de uitoefening van de in artikel 61
bedoelde toezichtsbevoegdheid, houdt de technisch ambtenaar een
systematische inspectie van de inrichtingen die moeten voldoen aan de
door de Regering goedgekeurde sectorale normen voor de beheersing van
de risico's inherent aan ernstige ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen gemoeid zijn. Deze inspecties zijn niet afhankelijk van de
ontvangst van het veiligheidsrapport of andere rapporten. Op grond
van die inspecties kunnen de technische systemen, alsmede de
organisatie- en beheerssystemen die in de betrokken inrichting worden
toegepast op een geplande en systematische wijze onderzocht worden
zodat :
1° de exploitant kan bewijzen dat hij de gepaste maatregelen
heeft genomen om ernstige ongevallen te voorkomen, rekening houdende
met de activiteiten van de inrichting;
2° de exploitant kan bewijzen dat hij over de gepaste middelen
beschikt om de gevolgen van ernstige ongevallen op en buiten de site
te beperken;
3° de in het veiligheidsrapport of in een ander rapport vermelde
gegevens of informatie de toestand van de inrichting exact
weergeven;
4° personen die het slachtoffer zouden kunnen worden van een
ernstig ongeval in een inrichting die een veiligheidsrapport moet
opmaken, in kennis gesteld kunnen worden van de te nemen
veiligheidsmaatregelen en van de in acht te nemen richtlijnen in
geval van ongeval.
Het in het eerste lid bedoelde inspectiesysteem voorziet in een
systematisch inspectieprogramma voor alle inrichtingen die moeten
voldoen aan de door de Regering goedgekeurde sectorale normen inzake
de beheersing van ernstige risico's inherent aan ongevallen waarbij
gevaarlijke stoffen gemoeid zijn. De bevoegde overheid laat ten
minste om de twaalf maanden een inspectie uitvoeren op de site van
elke inrichting waar een veiligheidsrapport moet worden overgelegd,
tenzij ze een inspectieprogramma heeft opgemaakt dat voorziet in een
langere tussentijd tussen de inspecties, na een systematische
evaluatie van de risico's inherent aan ernstige ongevallen die zich
in een specifieke inrichting kunnen voordoen.
De Regering bepaalt de bij de inspectie in acht te nemen regels, de
voorwerpen waarop de inspectie betrekking heeft, alsmede de
frequentie waarmee elke in het eerste lid bedoelde inrichting
geïnspecteerd wordt.
Afdeling II. - Maatregelen inzake de administratieve
politie
Onderafdeling I. - Gevolgen voor de vergunning als er geen
overtreding is
Art. 64. De Regering kan bepalen in welke gevallen de
specifieke exploitatienormen die in de afgegeven vergunningen
opgenomen zijn, opnieuw onderzocht moeten worden. In voorkomend geval
vermeldt ze de periodiciteit van de onderzoeken.
Art. 65. § 1. Vooraleer de vergunning in eerste
instantie af te geven kan de bevoegde overheid op advies van de
technisch ambtenaar en van de door de Regering aangewezen organen de
specifieke exploitatienormen aanvullen of wijzigen :
1° als ze vaststelt dat ze niet meer geschikt zijn om de in
artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken te voorkomen, te
beperken of te verhelpen;
2° om, zo nodig, te zorgen voor de inachtneming van de door de
Regering bepaalde immissienormen.
§ 2. De in eerste instantie bevoegde overheid schorst de
vergunning tijdelijk of trekt ze in na advies van de technisch
ambtenaar, als blijkt dat de exploitatie zelfs na aanvulling of
wijziging van de exploitatienormen risico's, hinder of ongemakken
veroorzaakt die de mens of het milieu ernstige schade kunnen
toebrengen.
Art. 66. Als de inrichting waarvoor de milieuvergunning
wordt afgegeven, gevestigd is in de nabijheid van een zone met
één of meer installaties waar gebruik wordt gemaakt van
gevaarlijke stoffen waarvan de lijst door de Regering is bepaald,
gaat de technisch ambtenaar na of het gevaar voor een ernstig ongeval
daar toeneemt en verwittigt hij de bevoegde overheid.
Als het gevaar voor een ernstig ongeval aanzienlijk toeneemt, treft
de bevoegde overheid de gepaste maatregelen waardoor :
1° de betrokken exploitanten, dank zij een vlotte
informatieuitwisseling, rekening kunnen houden met de aard en de
omvang van het gevaar voor een ernstig ongeval en de nodige
maatregelen kunnen treffen;
2° ook de exploitanten de bevolking kunnen informeren en de
bevoegde overheid de nodige gegevens kunnen verstrekken voor de
voorbereiding van externe noodplannen;
3° alles in het werk kan worden gesteld om te voorkomen dat een
incident of een ongeval buiten de inrichting het gevaar voor een
ernstig ongeval vergroot.
Art. 67. De bevoegde overheid oefent de in artikel 65
bedoelde bevoegdheden uit op eigen initiatief of op verzoek van :
1° de exploitant;
2° de overheden en besturen die geraadpleegd worden gedurende de
procedure voor de vergunningafgifte;
3° de houder van een zakelijk of persoonlijk recht op een goed
dat beschadigd is of zou kunnen worden door de verlaging van de
grondwaterspiegel die aan waterwinning te wijten is;
4° de houder van een vroeger verleende en niet vervallen
vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, als
de waterhoeveelheid of kwaliteit op de winplaats vermindert of dreigt
te verminderen.
Art. 68. Vooraleer een beslissing op grond van artikel 65
te nemen en behalve speciaal met redenen omklede dringende
noodzakelijkheid biedt de bevoegde overheid de exploitant de
mogelijkheid om zijn opmerkingen mondeling of schriftelijk te doen
gelden binnen een redelijke termijn. De procedureregels worden door
de Regering bepaald.
Art. 69. Alle in artikel 67 bedoelde personen kunnen
overeenkomstig hoofdstuk IV beroep instellen tegen de krachtens
artikel 65 genomen beslissingen tot aanvulling of wijziging van de
exploitatienormen of tot schorsing of intrekking van de vergunning.
Het beroep schorst de betwiste beslissing, behalve in de in artikel
65, § 2, bedoelde gevallen.
Art. 70. Elke beslissing tot aanvulling of wijziging van de
exploitatienormen en tot schorsing of intrekking van de vergunning
wordt meegedeeld aan de exploitant, de technisch ambtenaar en de
gemeenteoverheid. Ze vermeldt de termijn voor de tenuitvoerlegging
van de normen. Ze wordt bovendien ter kennis gebracht van de
bevolking door aanplakking, overeenkomstig de procedure bedoeld in
artikel 38.
Onderafdeling II. - Gevolgen voor de inrichting als er geen
overtreding is
Art. 71. § 1. Onverminderd de toepassing van andere
veiligheidsmaatregelen als het milieu of de veiligheid of de
gezondheid van de bevolking ernstig bedreigd worden en als de
exploitant zich niet wil richten naar de instructies van de door de
Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden, neemt de
burgemeester van ambtswege of op grond van het rapport van
één van hen de nodige maatregelen om het gevaar af te
wenden, met name door :
1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie te
gelasten;
2° de toestellen te verzegelen en zo nodig de inrichting
onmiddellijk tijdelijk te laten sluiten;
3° de exploitant een interventieplan of de overlegging van een
saneringsplan op te leggen en, in voorkomend geval, ten gunste van
het Gewest een zekerheid te stellen volgens één van de
in artikel 55 bedoelde voorschriften om de sanering te
waarborgen.
Dezelfde bevoegdheden worden toegekend aan de door de Regering
aangewezen ambtenaren of personeelsleden als de burgemeester verzuimt
op te treden of als het gevaar zo groot is dat elke vertraging een
ongeval kan veroorzaken.
§ 2. Het saneringsplan dat volgens de door de Regering bepaalde
voorschriften goedgekeurd is, geldt als milieuvergunning en als
stedenbouwkundige vergunning. De Regering kan voorschriften bepalen
voor het opmaken, goedkeuren en uitvoeren van de
saneringsplannen.
§ 3. Als de exploitant verzuimt een plan over te leggen of het
niet in acht neemt wanneer het goedgekeurd is, kan de burgemeester of
de Regering van ambtswege tot de sanering laten overgaan. Ze handelen
krachtens artikel 74, § 4.
§ 4. De exploitant jegens wie een veiligheidsmaatregel is
genomen, kan een beroep bij de Regering instellen tegen de in §
1 bedoelde beslissing. Het beroep is niet opschortend. Als geen
beslissing wordt genomen binnen de door de Regering voorgeschreven
termijn, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.
De Regering legt regels vast i.v.m. het beroep en bepaalt met name
:
1° welke gegevens het moet bevatten, de vorm ervan en het aantal
in te dienen exemplaren;
2° de wijze waarop het ter kennis wordt gebracht van de
bevolking;
3° de wijze waarop het onderzocht wordt door de bevoegde
technisch ambtenaar.
§ 5. De exploitant jegens wie de veiligheidsmaatregel is
genomen, en de andere belanghebbende personen kunnen de opheffing of
de wijziging van de maatregel vragen aan de overheid die ze getroffen
heeft, of aan de Regering als ze zich over het beroep heeft
uitgesproken.
De aanvraag is niet opschortend.
De aanvraag wordt geacht geweigerd te zijn als de overheid zich niet
heeft uitgesproken binnen één maand na ontvangst ervan.
Er wordt overeenkomstig § 4 beroep ingesteld tegen de
stilzwijgende of uitdrukkelijke weigering, behalve als de Regering
zich heeft uitgesproken over het beroep.
§ 6. De krachtens § 5 ingediende aanvraag mag niet
gelijktijdig met het in § 4 bedoelde beroep verzonden worden, op
straffe van niet-ontvankelijkheid.
Onderafdeling III. - Gevolgen voor de vergunning of de aangifte
in geval van overtreding
Art. 72. § 1. Om de in artikel 2 bedoelde risico's,
hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen kan de overheid die
bevoegd is om de milieuvergunning in eerste instantie af te geven,
als een overtreding van dit decreet of van de uitvoeringsbesluiten
ervan is vastgesteld, de vergunning schorsen of intrekken, met name
als :
1° niet wordt voldaan aan de algemene, sectorale of specifieke
normen die van toepassing zijn op haar inrichting;
2° niet wordt voldaan aan de in artikel 58, § 2, bedoelde
verplichtingen.
De bevoegde overheid kan de exploitant, op zijn verzoek, in
buitengewone omstandigheden en op gunstig verslag van de technisch
ambtenaar evenwel toestemming geven om tijdelijk af te wijken van de
exploitatienormen.
§ 2. Om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken
te voorkomen of te verhelpen kan de overheid die bevoegd is om de
aangifte in ontvangst te nemen, de exploitatie van de aan de aangifte
onderworpen inrichting schorsen of verbieden als een overtreding van
dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan is vastgesteld. In dat
geval verwittigt ze de door de Regering aangewezen ambtenaar.
Voor elke nieuwe aangifte van de betrokken inrichting moet de door de
Regering aangewezen ambtenaar de bevoegde overheid eerst verwittigen
dat de exploitatie kan worden verzekerd onder voorwaarden die voldoen
aan de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten
ervan.
§ 3. Vóór elke beslissing tot schorsing,
intrekking of verbod bedoeld in de §§ 1 en 2 richt de
bevoegde overheid een waarschuwing aan de exploitant en deelt ze hem
mee binnen welke termijn hij zich daarnaar moet richten.
Art. 73. De artikelen 67 tot 70 zijn toepasselijk op
krachtens artikel 72 genomen beslissingen tot schorsing, intrekking
of verbod van exploitatie. Het beroep tegen een op grond van artikel
72 genomen beslissing is echter niet opschortend.
Onderafdeling IV. - Gevolgen voor de inrichting in geval van
overtreding
Art. 74. § 1. Wanneer proces-verbaal van een
overtreding van de artikelen 10, 11, 57 of 58 is opgemaakt, kan de
burgemeester om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of
ongemakken te voorkomen of te verhelpen, op verslag van de door de
Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden :
1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie
gelasten;
2° de toestellen verzegelen en zo nodig de inrichting
onmiddellijk tijdelijk laten sluiten;
3° de exploitant een interventieplan of de overlegging van een
saneringsplan opleggen en, in voorkomend geval, ten gunste van het
Gewest een zekerheid stellen volgens één van de in
artikel 55 bedoelde voorschriften om de sanering te waarborgen.
Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren of personeelsleden over dezelfde
prerogatieven als hij.
De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen
maatregelen bij een overtreding van artikel 10 of 11 worden van
rechtswege opgeheven zodra de milieuvergunning verleend wordt of
zodra de bevoegde overheid de aangifte ontvankelijk verklaart.
§ 2. Het saneringsplan dat op de door de Regering bepaalde wijze
is goedgekeurd, geldt als milieuvergunning en als stedenbouwkundige
vergunning. De Regering kan bepalen hoe de saneringsplannen
opgemaakt, goedgekeurd en uitgevoerd moeten worden.
§ 3. Als de overtreder verzuimt een plan in te dienen of de
voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de
Regering van ambtswege tot de sanering laten overgaan. Ze handelen
krachtens § 4.
§ 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de
voorgeschreven termijn treft, kan de Regering of haar gemachtigde de
sanering van ambtswege of op verzoek van de burgemeester voor
rekening van de overtreder laten uitvoeren door de openbare
maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996
betreffende de afvalstoffen. Bovendien kan de Regering of haar
gemachtigde eisen dat de overtreder een zekerheid stelt
overeenkomstig artikel 55.
De Regering of haar gemachtigde verwittigt de persoon (personen) die
de zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven, en wijst hem
(hen) op het bedrag en de mogelijke wijzen van
zekerheidsstelling.
Als binnen acht dagen geen zekerheid is gesteld, laat de Regering of
haar gemachtigde een bevel tot betaling binnen 24 uur aan de
overtreder betekenen, op straffe van uitvoering bij beslag.
Het stellen van een zekerheid naar aanleiding van de betekening van
het bevel tot betaling, waarvan het bedrag onvoldoende is, belet de
voortzetting van de vervolgingen niet.
Na afloop van de termijn binnen welke het bevel tot betaling moet
worden gegeven, kan de Regering of haar gemachtigde een beslag laten
uitvoeren op de wijze bedoeld in het Gerechtelijk wetboek.
Art. 75. De artikelen 71 en 74 zijn niet van toepassing als
de sanering krachtens dit decreet wordt uitgevoerd door de openbare
maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996
betreffende de afvalstoffen.
Artikel 74 is niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel
7, § 3, van het decreet van 25 juni 1991 betreffende de
belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest.
Afdeling III. - Administratieve boetes
Art. 76. § 1. Overtredingen van de artikelen 10,
§ 2, 57, 58, § 2, 4°, en 59 of van de krachtens deze
artikelen genomen bepalingen worden gestraft met een geldboete van
maximum 500.000 BEF.
De personen die krachtens dit artikel strafbaar zijn met
administratieve boetes, worden aangeduid met het woord
"overtreder".
De administratieve boete is slechts van toepassing op de overtreder,
zelfs als de overtreding door een aangestelde of een gemachtigde
wordt begaan.
§ 2. Voor de in § 1, eerste lid, bedoelde overtredingen
wordt voorzien in strafvervolgingen of in een administratieve
boete.
De administratieve boete wordt opgelegd door de technisch
ambtenaar.
De vastgestelde overtredingen van de in § 1, eerste lid,
bedoelde bepalingen worden bij wege van administratieve boetes
vervolgd, tenzij het openbaar ministerie, rekening houdende met de
ernst van de overtreding, oordeelt dat er grond is tot
strafvervolgingen.
De strafvervolgingen sluiten het opleggen van een administratieve
boete uit, zelfs als een betaling er een einde aan maakt.
§ 3. Eén exemplaar van het proces-verbaal tot
vaststelling van de overtreding wordt aan de technisch ambtenaar
overgemaakt.
Na ontvangst van het proces-verbaal beschikt het openbaar ministerie
over een termijn van vier maanden om de technisch ambtenaar kennis te
geven van zijn beslissing over het al dan niet opleggen van
strafvervolgingen.
§ 4. Als het openbaar ministerie afziet van de vervolgingen of
verzuimt zijn beslissing binnen de voorgeschreven termijn mee te
delen, beslist de technisch ambtenaar, nadat hij de overtreder in
staat heeft gesteld zijn verweermiddelen te doen gelden, of er grond
bestaat om een administratieve boete uit hoofde van de overtreding op
te leggen.
De technisch ambtenaar bepaalt het bedrag van de administratieve
boete in zijn beslissing, die met redenen omkleed is. Ze wordt bij
ter post aangetekend schrijven aan de overtreder medegedeeld, samen
met een aanmaning tot betaling van de boete binnen de door de
Regering voorgeschreven termijn.
De kennisgeving van de beslissing waarbij het bedrag van de
administratieve boete wordt bepaald, doet de strafvordering
vervallen.
De betaling van de boete maakt een einde aan de actie van het
bestuur.
§ 5. De overtreder die de beslissing van de technisch ambtenaar
betwist, moet binnen twee maanden na de kennisgeving van de
beslissing bij wijze van verzoek een beroep instellen
vóór de burgerlijke rechtbank, op straffe van verval.
Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
De bepaling van het vorige lid wordt weergegeven in de beslissing
waarbij de administratieve boete wordt opgelegd.
§ 6. Als de overtreder verzuimt de boete te betalen, wordt de
beslissing van de technisch ambtenaar of de in kracht van gewijsde
gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank overgemaakt aan de
Afdeling Thesaurie van het Ministerie van het Waalse Gewest met het
oog op de invordering van het bedrag van de administratieve
boete.
§ 7. Als binnen drie jaar, te rekenen van de datum van het
proces-verbaal, een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt het
in § 1, eerste lid, van dit artikel bedoelde bedrag
verdubbeld.
De administratieve beslissing waarbij de administratieve boete wordt
opgelegd, mag niet meer worden genomen vijf jaar na het constitutieve
feit van een in dit artikel bedoelde overtreding. Het in § 4
bedoelde verzoek binnen de in het vorige lid bepaalde termijn waarbij
de overtreder gevraagd wordt zijn verweermiddelen te doen gelden,
onderbreekt evenwel de loop ervan. Met deze daad begint een nieuwe
termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten opzichte van personen
die er niet bij betrokken zijn.
§ 8. De Regering bepaalt de wijze van invordering van de boete.
HOOFDSTUK X. - Straffen
Art. 77. § 1. Er wordt voorzien in een gevangenisstraf
van acht dagen à drie jaar en in een geldboete van 100 BEF tot
1 miljoen BEF, of in één van deze straffen voor :
1° een overtreding van de artikelen 10, § 1 en 11;
2° een overtreding van artikel 58, § 1;
3° de belemmering van de uitvoering van de in artikel 61
bedoelde toezichtsopdracht;
§ 2. Er wordt voorzien in een gevangenisstraf van acht dagen
à één jaar en in een geldboete van 100 BEF tot
500.000 BEF, of in één van deze straffen voor :
1° een overtreding van artikel 58, § 2, 3°;
2° een overtreding van artikel 58, § 2, 4°, die het
milieu in gevaar brengt.
§ 3. De overtreder van de artikelen 10, § 2, 57, 58, §
2, 1°, 2°, 4°, en 59 wordt gestraft met een geldboete
van 26 BEF tot 10.000 BEF.
§ 4. De overtreder van de overeenkomstig de vermelde artikelen
genomen uitvoeringsbesluiten wordt gestraft met de straffen bedoeld
in de §§ 1, 2 of 3.
Art. 78. De in dit decreet bedoelde straffen kunnen het
dubbel van het maximum bedragen als een nieuwe overtreding, zoals
bedoeld in artikel 77, wordt begaan binnen een termijn van vijf jaar,
te rekenen van een in kracht van gewijsde uitgesproken vroegere
veroordeling wegens overtreding van één van deze
artikelen.
Bovendien mag de minimale straf in dit geval niet lager zijn dan het
tienvoud van het minimumbedrag.
Art. 79. In geval van overtreding van de artikelen 10,
§ 1, 11, 58, § 1, kan de rechtbank de overtreder ook
veroordelen :
1° tot de overlegging op eigen kosten van een
karakteriseringonderzoek om maatregelen te bepalen i.v.m. de
veiligheid of het gepaste herstel; dit onderzoek omvat een
plaatsbeschrijving en een beschrijving van het milieu, alsmede
voorstellen van herstelmaatregelen;
2° tot de uitvoering van maatregelen teneinde de buren of het
milieu tegen de veroorzaakte hinder te beschermen.
Ze kan tevens de uitvoering van werken bevelen om de hinder te
beperken of af te wenden of om de toegang tot de plaats te
verbieden;
3° tot de stopzetting van de exploitatie op de plaats van de
overtreding, gedurende de termijn die zij bepaalt.
Het in 1° bedoelde karakteriseringonderzoek wordt uitgevoerd
door een erkende auteur van milieu-effectonderzoeken, behoudens
individuele afwijking toegestaan door de Regering of de technisch
ambtenaar. De Regering bepaalt de inhoud van het
karakteriseringonderzoek.
§ 2. De rechtbank beveelt, op verzoek van de Regering of, bij
delegatie, van de technisch ambtenaar of op verzoek van het college
van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied
waarvan de overtreding is begaan, dat een karakteriseringonderzoek op
kosten van de overtreder wordt overgelegd en dat de site wordt
gesaneerd, hetzij door de veroordeelde zelf volgens de voorschriften
van de technisch ambtenaar, hetzij door de aangewezen persoon
(personen), op kosten van de veroordeelde. In dit geval worden de
kosten na uitvoering van de werken of naarmate de uitvoering ervan
terugbetaald op overleggen van een gewone staat die door de technisch
ambtenaar is opgemaakt. Deze staat wordt uitvoerbaar verklaard.
In voorkomend geval geldt het vonnis, voor de persoon op wie het
betrekking heeft, als milieuvergunning en stedenbouwkundige
vergunning of als aangifte in de zin van dit decreet.
§ 3. De rechter gelast de veroordeelde binnen acht dagen volgend
op de dag waarop het vonnis definitief is geworden, een zekerheid ten
gunste van de Regering te stellen op de in artikel 55 bedoelde wijze,
op straffe van dwangsom. Het bedrag van de zekerheid is gelijk aan
het bedrag van de geraamde kosten van de opgelegde maatregelen.
§ 4. De krachtens § 1 en § 2 veroordeelde die de door
de rechtbank opgelegde verplichtingen niet binnen de voorgeschreven
termijn nakomt of de door haar uitgevaardigde verboden schendt of
zich tegen de maatregelen verzet die zij ambtshalve oplegt, is
strafbaar met een gevangenisstraf van zes maanden à vijf jaar
en met een geldboete van 1000 BEF tot 500.000 BEF, of met
één van deze straffen.
Bij niet-nakoming van de door de rechtbank opgelegde verplichtingen
kan de Regering, of, bij delegatie, de technisch ambtenaar alsmede
het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het
grondgebied waarvan de overtreding is begaan, ervoor zorgen dat ze
nagekomen worden en de kosten ervan invorderen, zoals bepaald in
§ 2.
§ 5. De griffier van de burgerlijke rechtbank of van het
strafgerecht bezorgt de technisch ambtenaar een afschrift van de
verzoekschriften of dagvaardingen voor het gerecht wegens een in
§ 1 en § 4 bedoelde overtreding, zowel in eerste aanleg als
in hoger beroep. De technisch ambtenaar maakt dezelfde dag een
afschrift ervan over aan de Regering en aan het college van
burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan
de overtreding is begaan.
§ 6. De vonnissen en arresten waarop dit artikel van toepassing
is, worden door de griffier van het gerecht gelijktijdig overgemaakt
aan het gewestelijk bestuur en aan de veroordeelde.
Art. 80. De Regering, of, bij delegatie, de technisch
ambtenaar, alsmede het college van burgemeester en schepenen van de
gemeente op het grondgebied waarvan de overtreding is begaan, kan de
uitvoering van de in artikel 79 bedoelde maatregelen voor de
burgerlijke rechtbank voortzetten.
HOOFDSTUK XI. - Eenmalige vergunning
Afdeling I. - Toepassingsveld en bevoegde overheid
Art. 81. § 1. Elk gemengd project, met uitzondering
van de projecten die betrekking hebben op tijdelijke inrichtingen,
proefinrichtingen of op onroerende goederen bedoeld in artikel 109
van het « CWATUP », is onderworpen aan een aanvraag om
eenmalige vergunning.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente
op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting wordt
gepland, is bevoegd om kennis te nemen van de aanvragen om eenmalige
vergunning.
In afwijking van het eerste lid, zijn de ambtenaren die de Regering
heeft aangewezen binnen het bestuur Ruimtelijke Ordening en
Stedenbouw en het bestuur Leefmilieu, gezamenlijk bevoegd om kennis
te nemen van de aanvragen om eenmalige vergunning betreffende
handelingen en werkzaamheden of inrichtingen op het grondgebied van
verschillende gemeenten.
Afdeling II. - Aanvraag, openbaar onderzoek en advies
Art. 82. De vergunningaanvraag wordt bij ter post
aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verzonden of tegen
ontvangbewijs aan de gemeente afgegeven.
Als de inrichting op het grondgebied van verschillende gemeenten
gelegen is, wordt de aanvraag verzonden bij ter post aangetekend
schrijven met bericht van ontvangst of tegen ontvangbewijs afgegeven
aan één van de gemeenten op het grondgebied waarvan de
vestiging van de inrichting gepland wordt, naar keuze van de
aanvrager.
Art. 83. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de
vergunningaanvraag. Ze bepaalt het aantal dossiersexemplaren die de
aanvraag moet bevatten, alsmede de schaal en de inhoud van de
verschillende plannen die erbij gevoegd moeten worden.
De aanvraag moet de in artikel 17 van dit decreet bedoelde gegevens
bevatten, alsook de stukken vereist krachtens artikel 115, tweede
lid, van het « CWATUP ».
Het dossier van de effectrapportering bevat het geheel van de
aanwijzingen die de twee rapporteringsdossiers moeten bevatten als de
stedenbouw- en de milieuvergunning afzonderlijk worden beschouwd.
Art. 84. Binnen een termijn van drie werkdagen, te rekenen
van de datum van ontvangst van de aanvraag, stuurt de gemeente
gelijktijdig aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigde
ambtenaar een exemplaar van de vergunningaanvraag, met inbegrip van
het ontvangbewijs van de aanvraag of een afschrift van het in artikel
82 bedoelde ontvangbewijs. Ze bewaart er een exemplaar van en
verwittigt de aanvrager bij gewone post.
Als het gemeentebestuur de aanvraag niet binnen de in het eerste lid
voorgeschreven termijn overmaakt, kan de aanvrager de zaak
onmiddellijk aanhangig maken bij de technisch ambtenaar door hem bij
ter post aangetekend schrijven een afschrift te richten dat hij
eensluidend verklaart met de aanvraag die hij aanvankelijk aan het
college van burgemeester en schepenen heeft gericht. In dat geval
stuurt de technisch ambtenaar binnen dezelfde termijn als die bedoeld
in het eerste lid een exemplaar van de aanvraag aan de gemachtigde
ambtenaar.
Art. 85. De vergunningaanvraag is onvolledig als krachtens
artikel 83 vereiste gegevens of stukken ontbreken.
De vergunningaanvraag is niet-ontvankelijk als :
1° ze in strijd met artikel 82 wordt ingediend;
2° ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;
3° de aanvrager de ontbrekende gegevens niet verstrekt binnen de
termijn bedoeld in artikel 86, tweede lid.
Art. 86. De technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar
sturen de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk
wordt bevonden binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van
de dag waarop de technisch ambtenaar de aanvraag in ontvangst neemt
overeenkomstig artikel 84.
Als de aanvraag onvolledig is, wijzen de technisch ambtenaar en de
gemachtigde ambtenaar de aanvrager bij aangetekend schrijven op de
ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te
rekenen van de dag van ontvangst van de aangetekende brief, om de
gevraagde ontbrekende stukken bij ter post aangetekend schrijven met
bericht van ontvangst aan de technisch ambtenaar te sturen of tegen
ontvangbewijs af te geven.
Zodra de technisch ambtenaar de gevraagde ontbrekende stukken heeft
ontvangen, stuurt hij binnen vijf dagen, te rekenen van de datum van
ontvangst, een exemplaar aan de gemachtigde ambtenaar.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken door de
technisch ambtenaar, sturen deze laatste en de gemachtigde ambtenaar
de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt
bevonden, aan de aanvrager met inachtneming van de procedure bedoeld
in het eerste en het tweede lid. Als de aanvraag een tweede keer
onvolledig wordt bevonden door de ambtenaren, wordt ze
niet-ontvankelijk verklaard.
Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijzen de technisch ambtenaar
en de gemachtigde ambtenaar de aanvrager, met inachtneming van de
voorschriften en de termijn bedoeld in het eerste lid, of, in
voorkomend geval, de termijn bedoeld in het vierde lid, op de redenen
van de niet-ontvankelijkheid.
Art. 87. In de beslissing waarbij de aanvraag volledig en
ontvankelijk wordt bevonden overeenkomstig artikel 86, vermelden de
ambtenaren :
1° of de tussenkomst van de Regering of de gemachtigde ambtenaar
vereist is i.v.m. de aanvraag om afwijking bedoeld in artikel 114 van
het « CWATUP »;
2° de te raadplegen organen en, in voorkomend geval, de
desbetreffende termijnen;
3° de duur en de begindatum van het openbaar onderzoek, behalve
afwijking bedoeld in dit decreet, en de gemeenten waar het onderzoek
georganiseerd moet worden;
4° de bevoegde overheid en de termijn binnen welke de beslissing
genomen moet worden.
Dezelfde dag sturen ze de bevoegde overheid een afschrift van de
beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt
bevonden en, in voorkomend geval, de krachtens artikel 86 verkregen
ontbrekende stukken.
De Regering kan de te raadplegen organen aanwijzen of criteria
bepalen op grond waarvan de technisch ambtenaar en de gemachtigde
ambtenaar die organen aanwijzen.
Art. 88. Als de technisch ambtenaar en de gemachtigde
ambtenaar de aanvrager geen beslissing hebben gestuurd volgens de
voorschriften en binnen de termijnen bedoeld in artikel 86, wordt de
aanvraag als ontvankelijk beschouwd.
In dat geval sturen de ambtenaren het aanvraagdossier aan de bevoegde
overheid en wordt de procedure voortgezet.
Art. 89. De termijn voor de procedure tot de in artikel 93
bedoelde besluitvorming loopt :
1° vanaf de dag waarop de technisch ambtenaar en de gemachtigde
ambtenaar de beslissing hebben verstuurd waarbij de aanvraag volledig
en ontvankelijk is bevonden;
2° bij gebrek hieraan, vanaf de dag volgend op de termijn
waarover ze beschikten om de beslissing te versturen waarbij de
aanvraag volledig en ontvankelijk is bevonden.
Art. 90. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd
overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26, § 1.
Het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15
augustus.
Deze opschorting houdt de verlenging in van :
1° de in artikel 91 bedoelde termijn waarover de geraadpleegde
organen beschikken om advies uit te brengen;
2° de in artikel 92 bedoelde termijn waarover de ambtenaren
beschikken om het gezamenlijk opgemaakte syntheserapport over te
maken;
3° de in artikel 93 bedoelde termijn waarover de bevoegde
overheid beschikt om haar beslissing aan de aanvrager te sturen.
De artikelen 27 à 29 en 42, tweede lid, zijn van toepassing.
Art. 91. De dag waarop de technisch ambtenaar en de
gemachtigde ambtenaar de bevoegde overheid de beslissing sturen
waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden
overeenkomstig artikel 86 of, bij gebrek hieraan, binnen de termijn
bedoeld in artikel 88, maakt de technisch ambtenaar het
aanvraagdossier voor advies over aan de verschillende aangewezen
organen. Deze organen versturen of delen hun advies mee tegen bericht
van ontvangst en binnen zestig dagen als de aanvraag een inrichting
van klasse 1 betreft of dertig dagen als ze een inrichting van klasse
2 betreft, te rekenen van de dag waarop de zaak aanhangig wordt
gemaakt bij de technisch ambtenaar. Ze sturen volgens dezelfde
voorschriften een afschrift ervan aan de gemachtigde ambtenaar.
Als het advies niet wordt verzonden of tegen ontvangbewijs afgegeven
binnen de termijn bedoeld in het vorige lid, wordt het geacht gunstig
te zijn.
Art. 92. § 1. Op basis van de ingewonnen adviezen
maken de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar samen een
syntheserapport op. Dat rapport bevat een voorstel van beslissing
gemotiveerd op grond van de verschillende ingewonnen adviezen en, in
voorkomend geval, de beslissing van de Regering of de gemachtigde
ambtenaar waarbij de in artikel 114 van het « CWATUP »
bedoelde afwijking wordt toegestaan of geweigerd.
§ 2. De geraadpleegde overheden of besturen plegen, op verzoek
van één van hen, ten minste één keer
overleg om hun standpunt m.b.t. het project te harmoniseren. De
Regering kan de wijze van overleg bepalen.
§ 3. Het syntheserapport en de integrale aanvraag worden bij ter
post aangetekend schrijven aan de bevoegde overheid overgemaakt
binnen een termijn van :
1° vijftig dagen als de vergunningaanvraag een inrichting van
klasse 2 betreft;
2° honderd dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op
een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een
specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter
waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het
« CWATUP »;
3° honderd en tien dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen
is.
De technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar verwittigen de
aanvrager de dag waarop ze het syntheserapport overmaken.
§ 4. Na afloop van de termijn bedoeld in paragraaf 3 worden de
technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar gezamenlijk gehoord
als de bevoegde overheid het vraagt.
§ 5. De termijnen bedoeld in paragraaf 3 kunnen verlengd worden
bij gezamenlijke beslissing van de technisch ambtenaar en de
gemachtigde ambtenaar. De verlenging mag niet langer duren dan dertig
dagen. Deze beslissing wordt binnen de in artikel 93, § 1,
termijn aan de bevoegde overheid en de aanvrager gestuurd.
§ 6. Als het syntheserapport niet binnen de toegestane termijn
aan de bevoegde overheid wordt gestuurd, zet deze laatste de
procedure voort rekening houdende met het dossier van de
effectrapportering, de resultaten van het onderzoek, het advies van
het of de college(s) van burgemeester en schepenen en elk ander
gegeven waarover ze beschikt.
Afdeling III. - Beslissing
Art. 93. § 1. De bevoegde overheid stuurt haar
beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager, de
technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar en bij gewone post
aan elke geraadpleegde overheid of geraadpleegd bestuur binnen :
1° zeventig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op
een inrichting van klasse 2;
2° honderd dertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte,
een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel
karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij
het « CWATUP »;
3° honderd veertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking
heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is
opgenomen.
Als het syntheserapport vóór het einde van de in
artikel 92, § 3, tweede lid, bedoelde termijn wordt overgemaakt,
stuurt de bevoegde overheid, in afwijking van het eerste lid, haar
beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager, de
technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar en bij gewone post
aan elke geraadpleegde overheid of geraadpleegd bestuur binnen een
termijn van :
1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport overeenkomstig artikel 92, § 3, in ontvangst
neemt, voor inrichtingen van klasse 2;
2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het
syntheserapport overeenkomstig artikel 92, § 3, in ontvangst
neemt, voor inrichtingen van klasse 1.
Als de bevoegde overheid van het syntheserapport afwijkt, geeft ze de
redenen op.
§ 2. In het geval van artikel 92, § 3, wordt de termijn
waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te
versturen, verlengd met dezelfde duur als de door de technisch
ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar bepaalde duur.
§ 3. De artikelen 36 en 38 van dit decreet zijn van toepassing
op de beslissingen die de overheid krachtens deze afdeling neemt.
Art. 94. Als het syntheserapport overeenkomstig artikel 92
wordt verzonden, wordt de beslissing, indien ze niet binnen de in
artikel 93 bedoelde termijn is verstuurd, geacht te zijn genomen op
grond van de conclusies van het syntheserapport. Dit laatste wordt
door de technisch ambtenaar aan de aanvrager gestuurd.
Als de beslissing niet binnen de in artikel 93 voorgeschreven termijn
wordt verzonden en als het syntheserapport niet overeenkomstig
artikel 92 wordt verzonden, wordt de vergunning geacht geweigerd te
zijn.
Afdeling V. - Beroep
Art. 95. § 1. Elke belangstellende natuurlijke of
rechtspersoon kan, evenals de technisch ambtenaar en de gemachtigde
ambtenaar, een beroep bij de Regering instellen tegen de beslissingen
van de in artikel 81 bedoelde overheden i.v.m. de afgifte van
eenmalige vergunningen en tegen het feit dat die overheden geen
beslissing hebben genomen bij het verstrijken van de termijnen
bedoeld in artikel 81.
§ 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt het beroep aan
het bestuur Leefmilieu gezonden of tegen ontvangbewijs afgegeven
binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen van :
1° de datum van ontvangst van de beslissing of, bij gebrek
hieraan, bij het verstrijken van de in artikel 93 bedoelde termijnen,
voor de aanvrager, de technisch ambtenaar en de gemachtigde
ambtenaar;
2° de eerste dag van aanplakking van de beslissing,
overeenkomstig artikel 93, voor de personen die niet onder 1°
zijn opgenomen.
Het in het eerste lid bedoelde bestuur maakt binnen vijf dagen een
afschrift van het beroep over aan het bestuur Ruimtelijke Ordening en
Stedenbouw.
Als de beslissing in verschillende gemeenten wordt aangeplakt, wordt
de termijn verlengd tot de dertigste dag volgend op de eerste dag van
aanplakking in de gemeente die de beslissing in eerste instantie
heeft laten aanplakken.
§ 3. Op basis van de ingewonnen adviezen maken de besturen
Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw samen een
syntheserapport op. Als het beroep betrekking heeft op
aangelegenheden die onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw vallen,
wordt het advies van de in artikel 120 van het « CWATUP »
bedoelde adviescommissie vereist binnen veertig dagen, te rekenen van
de dag waarop het bestuur Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw het
beroep in ontvangst neemt.
Als de Commissie geen advies uitbrengt binnen die termijn, wordt de
vervolging voortgezet.
Het syntheserapport wordt aan de Regering gestuurd binnen een termijn
van :
1° vijftig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 2;
2° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke
bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de
bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP
»;
3° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is opgenomen.
Deze termijn loopt vanaf de eerste dag volgend op de dag van
ontvangst van het beroep. Als er verschillende beroepen zijn, loopt
de termijn vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van
het laatste beroep.
De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde besturen verwittigen
de aanvrager de dag waarop ze het syntheserapport overmaken.
§ 4. Het beroep schort de betwiste beslissing niet op, behalve
als het ingesteld wordt door de ambtenaren bedoeld in paragraaf
1.
§ 5. De Regering bepaalt :
1° de gegevens die het beroep moet bevatten, de vorm ervan en
het aantal in te dienen exemplaren;
2° de wijze waarop het publiek in kennis wordt gesteld van het
beroep;
3° de voorschriften voor de behandeling van het beroep, de wijze
waarop het syntheserapport wordt opgemaakt, de te raadplegen organen
en de termijnen binnen welke de adviezen worden uitgebracht.
Als het advies niet binnen de voorgeschreven termijnen wordt
verzonden of tegen bericht van ontvangst afgegeven, wordt het geacht
gunstig te zijn.
§ 6. De Regering stuurt haar beslissing aan de aanvrager binnen
een termijn van :
1° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 2;
2° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke
bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de
bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP
»;
3° honderd en tien dagen als het beroep betrekking heeft op een
inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is opgenomen.
Die termijn loopt vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst
van het beroep. Als er verschillende beroepen zijn, begint de termijn
te lopen vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van het
laatste beroep.
Als het syntheserapport wordt overgemaakt vóór het
verstrijken van de in paragraaf 3 bedoelde termijn, verstuurt de
Regering haar beslissing, in afwijking van het eerste lid, binnen een
termijn van :
1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop zij het
syntheserapport van de besturen overeenkomstig paragraaf 3 ontvangt,
voor inrichtingen van klasse 2;
2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop zij het
syntheserapport van de besturen overeenkomstig paragraaf 3 ontvangt,
voor inrichtingen van klasse 1.
§ 7. Als de beslissing niet binnen de in paragraaf 6 bedoelde
termijn wordt verzonden :
1° wordt ze geacht genomen te zijn op grond van de conclusies
van het syntheserapport als dit laatste overeenkomstig paragraaf 3 is
verzonden; het syntheserapport wordt door het bestuur Leefmilieu aan
de aanvrager gezonden;
2° wordt de in laatste instantie genomen beslissing bevestigd
als het syntheserapport niet overeenkomstig paragraaf 3 is
verzonden.
§ 8. Als de vergunningweigering voortvloeit uit een gebrek aan
beslissing in eerste instantie of in beroep en als geen
syntheserapport binnen de voorgeschreven termijn wordt verzonden,
dient een vergoeding ten laste van het Gewest te worden betaald die
gelijk is aan twintigmaal het dossiersrecht bedoeld in artikel 177,
tweede lid, 1° en 2°. De vergoedingaanvragen vallen onder
de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken.
Afdeling V. - Bijzondere bepalingen voor gemengde projecten die
een wijziging van de gemeentewegen inhouden
Art. 96. § 1. Als een gemengd project de aanleg van
nieuwe verkeerswegen, de wijziging van het tracé van bestaande
gemeentewegen of de verbreding of afschaffing ervan inhoudt, neemt de
gemeenteraad kennis van de resultaten van het openbaar onderzoek en
beraadslaagt hij over de wegenkwesties vooraleer de bevoegde overheid
zich over de vergunningaanvraag uitspreekt.
De termijnen bedoeld in artikel 93 kunnen in dat geval verlengd
worden bij beslissing van de bevoegde overheid. De verlengde termijn
mag niet langer lopen dan zestig dagen.
Als de gemeenteraad niet beraadslaagt binnen een termijn van zestig
dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek, wordt de vergunning
geweigerd.
Als de gemeenteraad zich niet moet uitspreken over de wegenkwestie of
zich daarover niet uitspreekt en als een beroep overeenkomstig
artikel 95 wordt ingesteld, wordt de gemeenteraad op verzoek van de
Regering bijeengeroepen. De gemeenteraad spreekt zich uit over de
wegenkwestie en deelt haar beslissing mee binnen een termijn van
zestig dagen, te rekenen van de oproeping door de Regering. In dat
geval worden de in artikel 95, § 6, bedoelde termijnen verlengd
met de duur van de termijn waarover de gemeenteraad beschikt om zijn
beslissing mee te delen.
§ 2. Als het gemengd project langs een gewestelijke weg of een
provincieweg moet worden uitgevoerd, wordt het betrokken bestuur om
advies gevraagd.
Afdeling VI. - Slotbepalingen
Art. 97. De hoofdstukken I, VII, VIII, IX, X en XIII van
dit decreet zijn van toepassing op de eenmalige vergunning.
De artikelen 50 à 52, de hoofdstukken IX en X zijn niet van
toepassing op de eenmalige vergunning voor zover ze de
stedenbouwvergunning vervangt.
De volgende bepalingen van het « CWATUP » zijn toepasselijk
op de eenmalige vergunning :
- de hoofdstukken I, II, IV en VI van titel I van boek I;
- de titels II, III en IV van boek I;
- de artikelen 84 à 86, 110 à 114, 123, 126, 127,
§ 3, 131, 132, eerste lid, 134 à 136, 138, 139, de
hoofdstukken IV en V van titel V van boek I;
- de titels VI, VII en VIII van boek I;
- de boeken II en III.
Titel VI van boek I van het « CWATUP » is niet van
toepassing op de eenmalige vergunning voor zover ze de
milieuvergunning vervangt.
HOOFDSTUK XII. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen
Afdeling I. - Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening,
Stedenbouw en Patrimonium
Art. 98. Artikel 124 van het « CWATUP »,
gewijzigd bij het decreet van 27 november 1997, wordt vervangen als
volgt :
« Art. 124 De aanvragen om stedenbouw- of verkavelingsvergunning
voor projecten binnen een perimeter die onderworpen is aan de
voorschriften van een plan van aanleg waarvoor een effectonderzoek is
uitgevoerd en die aan de voorschriften van dat plan voldoen, zijn
niet aan een effectonderzoek onderworpen.
In afwijking van het eerste lid, moet een bijkomend effectonderzoek
worden uitgevoerd in het kader van de procedure betreffende de
stedenbouw- of verkavelingsvergunning :
1° hetzij als de vergunningaanvraag meer dan 5 jaar na de
inwerkingtreding van het plan wordt ingediend;
2° hetzij als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht
zijn getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden
tijdens het onderzoek voorafgaande aan de goedkeuring van het plan
van aanleg.
De beslissing van de bevoegde overheid waarbij het project aan een
bijkomend onderzoek wordt onderworpen, wordt genomen binnen vijftien
dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de in het eerst lid
bedoelde aanvraag. Als geen beslissing wordt genomen binnen die
termijn, wordt geen bijkomend onderzoek geëist.
De Regering kan regels bepalen voor de vaststelling en voor de
uitvoering van het bijkomend effectonderzoek. »
Art. 99. Artikel 131 van het « CWATUP »,
gewijzigd bij het decreet van 27 november 1997, wordt vervangen als
volgt :
« Art. 131 In afwijking van de artikelen 84 en 127, wordt in het
geval van een gemengd project in de zin van artikel 1, 11°, van
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een
eenmalige vergunning, die de stedenbouwvergunning in de zin van dit
Wetboek vervangt, afgegeven overeenkomstig de bepalingen bedoeld in
hoofdstuk XI van bovenbedoeld decreet. »
Afdeling II. - Water
Art. 100. De wet van 26 maart 1971 op de bescherming van
het oppervlaktewater tegen verontreiniging wordt opgeheven, met
uitzondering van de artikelen 1 en 3, § 2.
In artikel 3, § 2, van voormelde wet worden de woorden « en
het gebruik » geschrapt.
Art. 101. In artikel 2 van het decreet van de Waalse
Gewestraad van 7 oktober 1985 houdende bescherming van het
oppervlaktewater tegen vervuiling worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in 8°, c, worden de woorden »het verlenen van de
machtiging tot lozing » vervangen door de woorden « de
toekenning van de milieuvergunning of de afgifte »;
2° er wordt een punt 22° ingevoegd, luidend als volgt :
« 22° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel
1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning; »;
3° er wordt een punt 23° ingevoegd, luidend als volgt :
« 23° aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1,
2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning. »
Art. 102. Artikel 5, tweede lid, van hetzelfde decreet
wordt opgeheven.
Art. 103. Artikel 6 van hetzelfde decreet wordt vervangen
als volgt :
« Art. 6 Met inachtneming van de voorschriften bepaald bij het
decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan de
milieuvergunning of de aangifte vereist worden voor :
1° de lozing van afvalwater in gewoon oppervlaktewater;
2° de lozing van industrieel afvalwater in openbare rioleringen,
verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige afvoerwegen voor
regenwater;
3° de tijdelijke of vaste afzetting van verontreinigende stoffen
op een plaats waar zij door een natuurlijk verschijnsel in het
oppervlaktewater of in openbare rioleringen kunnen terechtkomen;
4° de lozingen van motoren van vaartuigen in gewoon
oppervlaktewater;
5° lozingen van huishoudelijk afvalwater in openbare
rioleringen, verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige
afvoerwegen voor regenwater;
6° lozingen van afvalwater uit de landbouw in openbare
rioleringen, verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige
afvoerwegen voor regenwater;
7° de installatie van sceptische putten en gelijksoortige
zuiveringssystemen. »
Art. 104. In artikel 7, 1° en 2°, van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden de
woorden « en de verzamelleidingen » vervangen door de
woorden « de verzamelleidingen en het oppervlaktewater ».
Art. 105. In artikel 8 van hetzelfde decreet worden de
volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid, gewijzigd bij het decreet van de Waalse
Gewestraad van 23 juni 1994, wordt opgeheven :
2° in het tweede lid van de Franse tekst wordt het woord «
Il » vervangen door de woorden « le Gouvernement ».
Art. 106. In hetzelfde decreet worden opgeheven :
1° artikel 9, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;
2° artikel 10, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;
3° artikel 11, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;
4° artikel 12;
5° artikel 13, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;
6° artikel 14, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;
7° artikel 15, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994.
Art. 107. In artikel 21, eerste lid, gewijzigd bij het
decreet van 23 juni 1994, worden de woorden « een machtiging tot
lozing aan hen werd verleend » vervangen door de woorden «
hen een milieuvergunning is verleend ».
Art. 108. In artikel 39, § 1, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden het eerste en het
tweede lid opgeheven.
Art. 109. In artikel 49 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 23 juni 1994, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt :
« 1° degene die in strijd met de krachtens dit decreet
genomen reglementen afvalwater loost in gewoon oppervlaktewater,
openbare rioleringen of kunstmatige afvoerwegen »;
2° punt 3° wordt opgeheven;
3° in punt 5° worden de woorden « door de Deelregering
of een van haar ambtenaren » opgeheven.
Art. 110. In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 23 juni 1994, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° punt 3° wordt opgeheven;
2° in punt 4° worden de tekens « 3° »
geschrapt;
3° in punt 7° worden de woorden « zonder over de in
artikel 6, § 1, beoogde machtiging te beschikken »
vervangen door de woorden « zonder de vereiste vergunning
».
Art. 111. In artikel 57, § 2, worden de termen «
en 3° » geschrapt.
Art. 112. Artikel 66 van hetzelfde decreet, voor het laatst
gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt vervangen als volgt
:
« Art. 66 Onverminderd de plichten van de officieren van de
gerechtelijke politie, zijn de burgemeester en de door de Regering
aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de
uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Ze
beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van het
decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om hun
opdrachten te vervullen.
De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank
van eerste aanleg van hun woonplaats.
De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte
van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van
eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het
personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.
Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed
afleggen.
Art. 113. Artikel 67 van het decreet van 7 oktober 1985,
voor het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt
opgeheven.
Art. 114. Artikel 68 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 juni 1994, wordt vervangen als volgt :
« Art. 68 - § 1. Wanneer proces-verbaal wordt opgemaakt
voor een overtreding bedoeld in artikel 49, kunnen de burgemeester en
de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden,
ten einde de in artikel 2 van het decreet van 11 maart 1999
betreffende de milieuvergunning bedoelde risico's, hinder en
ongemakken te voorkomen, te beperken of te verhelpen :
1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van het bedrijf
gelasten;
2° de toestellen verzegelen en, in voorkomend geval,
onmiddellijk de tijdelijke sluiting van de inrichting gelasten;
3° de exploitant een interventieplan opleggen of hem bevelen een
saneringsplan in te dienen en, in voorkomend geval, met inachtneming
van één van de voorschriften bedoeld in artikel 55 van
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, ten
gunste van het Gewest een zekerheid stellen om de sanering van de
plaats te waarborgen.
Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren en personeelsleden over dezelfde
prerogatieven als hij.
De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen
maatregelen worden van rechtswege opgeheven als de milieuvergunning
wordt toegekend of als de aangifte aan het bevoegde college van
burgemeester en schepenen wordt gericht.
§ 2. Het saneringsplan, goedgekeurd volgens de door de Regering
bepaalde voorschriften, geldt als milieuvergunning. De Regering kan
voorschriften bepalen voor de opstelling, de goedkeuring en de
uitvoering van de saneringsplannen.
§ 3. Als de overtreder verzuimt een plan in te dienen of de
voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de
Regering ambtshalve laten overgaan tot de sanering van de plaats. Ze
handelen overeenkomstig paragraaf 4.
§ 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de
voorgeschreven termijn neemt, kan de Regering of haar gemachtigde de
sanering ambtshalve of op verzoek van de burgemeester voor rekening
van de overtreder laten uitvoeren door de maatschappij bedoeld in
artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 op de afvalstoffen. De
Regering of haar gemachtigde kan bovendien eisen dat de in het eerste
lid bedoelde personen een zekerheid stellen overeenkomstig artikel
55.
De Regering of haar gemachtigde stelt de persoon of personen die de
zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven in kennis van
het bedrag van de zekerheid en van de wijzen waarop ze gesteld kan
worden.
Als de zekerheid niet gesteld is binnen acht dagen, geeft de Regering
of haar gemachtigde de overtreder bevel tot betaling binnen
vierentwintig uren, op straffe van tenuitvoerlegging bij wijze van
beslag.
Het feit dat naar aanleiding van een bevel tot betaling een zekerheid
wordt gesteld waarvan het bedrag niet volstaat, belet de voortzetting
van de vervolgingen niet.
Zodra de termijn voor het bevel verstreken is, kan de Regering of
haar gemachtigde beslag laten leggen op de bij het Gerechtelijk
Wetboek bepaalde wijze. »
Art. 115. Artikel 69 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 juni 1994, wordt opgeheven.
Art. 116. In artikel 1 van het decreet van de Waalse
Gewestraad van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van
grondwater en tot drinkwater verwerkbaar water, gewijzigd bij het
decreet van 23 december 1993, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° punt 8° wordt vervangen als volgt :
« 8° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1,
1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning. »;
2° er wordt een punt 8bis ingevoegd, luidend als volgt :
« 8bis aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1, 2°,
van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
»
Art. 117. Artikel 2 van hetzelfde decreet wordt vervangen
als volgt :
« Art. 2 De milieuvergunning of de aangifte kan, met
inachtneming van de voorschriften bepaald bij het decreet van 11
maart 1999 betreffende de milieuvergunning vereist worden voor :
1° winplaatsen van grondwater en tot drinkwater verwerkbaar
water;
2° de waterwinplaatsen gelegen in een gebied voor tot drinkwater
verwerkbaar water;
3° de aanvullingen en pogingen tot kunstmatige aanvulling van
grondwater.
De milieuvergunning voor een waterwinplaats bepaalt de rechten en
verplichtingen van de houder ervan, met name de waterhoeveelheid die
jaarlijks gewonnen mag worden. Zij bepaalt eventueel de
piëzometrische grenzen, alsmede de perken en het stelsel van de
wincapaciteit. Zij bevat eveneens de voorschriften voor de controle
op de gewonnen waterhoeveelheid.
De Regering waarborgt een duurzame rationele exploitatie van het
water en de billijke verdeling ervan onder de verschillende houders
van een milieuvergunning voor een waterwinplaats. »
Art. 118. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, worden de woorden « van een
vergunning » vervangen door de woorden « van een
milieuvergunning bedoeld ».
Art. 119. In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 7 maart 1996, worden de woorden «
vergunningen van » geschrapt.
Art. 120. In artikel 5, § 2, 10° en 12°, en
§ 3, 8°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten
van 7 maart 1996 en 17 december 1997, wordt het woord «
vergunning » vervangen door het woord « milieuvergunning
».
Art. 121. Artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.
Art. 122. Artikel 7 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.
Art. 123. In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt het woord
« vergunning » vervangen door de woorden «
milieuvergunning of aangifte ».
Art. 124. In artikel 10 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 23 december 1993, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van de
vergunning » vervangen door de woorden « van de
milieuvergunning voor een waterwinplaats »;
3° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 125. In artikel 12 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 23 december 1993, wordt het woord «
vergunning » vervangen door de woorden « milieuvergunning
of aangifte ».
Art. 126. In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 23 december 1993 en 7 maart 1996, worden de
volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden « van
vergunning » vervangen door de woorden « van de
milieuvergunning »;
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden « aanvraag
tot waterwinplaats » vervangen door de woorden « aanvraag
van de milieuvergunning »;
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van een
vergunning » vervangen door de woorden « van de
milieuvergunning » en « de waterwinningsvergunning »
vervangen door de woorden « de milieuvergunning »;
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden « van een
vergunning » vervangen door de woorden « van de
milieuvergunning » en « de vooraf toegekende vergunningen
» vervangen door de woorden « de afgegeven
milieuvergunningen ».
Art. 127. Artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.
Art. 128. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 7 maart 1996, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in paragraaf 2, worden de tekens « 12 à 14 »
vervangen door de tekens « 12 en 13 »;
2° in paragraaf 3 worden de woorden « van een vergunning
» vervangen door de woorden « van de milieuvergunning
».
Art. 129. Artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.
Art. 130. Artikel 18 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
het decreet van 23 december 1993, wordt gewijzigd als volgt :
« Art. 18. Onverminderd de plichten van de officieren van de
gerechtelijke politie, zijn de burgemeester en de door de Regering
aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de
uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Ze
beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van het
decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om hun
opdrachten te vervullen.
De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank
van eerste aanleg van hun woonplaats.
De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte
van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van
eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het
personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.
Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed
afleggen. »
Art. 131. In hetzelfde decreet worden opgeheven :
1° artikel 19, gewijzigd bij het decreet van 23 december
1993;
2° artikel 20, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993.
Art. 132. Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt vervangen
als volgt :
« Art. 21 - § 1. Wanneer proces-verbaal is opgemaakt voor
een overtreding bedoeld in artikel 49, kan de burgemeester op basis
van een verslag van de door de Regering aangewezen ambtenaren en
personeelsleden, ten einde de in artikel 2 van het decreet van 11
maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde risico's, hinder
en ongemakken te voorkomen, te beperken of te verhelpen :
1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van het bedrijf
gelasten;
2° de toestellen verzegelen en, in voorkomend geval,
onmiddellijk de tijdelijke sluiting van de inrichting gelasten;
3° de exploitant een interventieplan opleggen of hem bevelen een
saneringsplan in te dienen en, in voorkomend geval, met inachtneming
van één van de voorschriften bedoeld in artikel 55 van
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een
zekerheid ten gunste van het Gewest stellen om de sanering van de
plaats te waarborgen.
Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren en personeelsleden over dezelfde
prerogatieven als hij.
De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen
maatregelen worden van rechtswege opgeheven als de milieuvergunning
wordt toegekend of als de aangifte aan het bevoegde college van
burgemeester en schepenen wordt gericht.
§ 2. Het saneringsplan, goedgekeurd volgens de door de Regering
bepaalde voorschriften, geldt als milieuvergunning. De Regering kan
voorschriften bepalen voor de opstelling, de goedkeuring en de
uitvoering van de saneringsplannen.
§ 3. Als de overtreder nalaat een plan in te dienen of de
voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de
Regering de plaats ambtshalve laten saneren. Ze handelen
overeenkomstig paragraaf 4.
§ 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de
voorgeschreven termijn neemt, kan de Regering of haar gemachtigde de
sanering ambtshalve of op verzoek van de burgemeester voor rekening
van de overtreder laten uitvoeren door de maatschappij bedoeld in
artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 op de afvalstoffen. De
Regering of haar gemachtigde kan bovendien eisen dat de in het eerste
lid bedoelde personen een zekerheid stellen overeenkomstig artikel
55.
De Regering of haar gemachtigde stelt de persoon of personen die de
zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven in kennis van
het bedrag van de zekerheid en van de wijzen waarop ze gesteld kan
worden.
Als de zekerheid niet gesteld is binnen acht dagen, geeft de Regering
of haar gemachtigde de overtreder bevel tot betaling binnen
vierentwintig uren, op straffe van tenuitvoerlegging bij wijze van
beslag.
Het feit dat naar aanleiding van een bevel tot betaling een zekerheid
wordt gesteld waarvan het bedrag niet volstaat, belet de voortzetting
van de vervolgingen niet.
Zodra de termijn voor het bevel verstreken is, kan de Regering of
haar gemachtigde beslag laten leggen op de bij het Gerechtelijk
Wetboek bepaalde wijze. »
Art. 133. In artikel 22, § 1, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° de punten 1° en 5° worden opgeheven;
2° in punt 2° worden de woorden « een bepaling genomen
krachtens de artikelen 8 à 12 » vervangen door de woorden
« een krachtens de artikelen 8 à 12 genomen reglement of
verbodmaatregel ».
Art. 134. In artikel 27, vierde lid, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 7 maart 1996, wordt het woord
"vergunning" vervangen door het woord "milieuvergunning".
Art. 135. Artikel 45 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij
de decreten van 23 december 1993 en 7 maart 1996, wordt gewijzigd als
volgt :
1° § 1 wordt opgeheven;
2° in § 2 worden de woorden "waarvoor krachtens dit decreet
een vergunning wordt vereist" vervangen door de woorden "waarvoor
krachtens dit decreet een milieuvergunning of een aangifte wordt
vereist" en worden de woorden "tot waterwinningsvergunning" vervangen
door de woorden "om milieuvergunning of om aangifte".
Art. 136. In artikel 1, 8°, c., van het decreet van 30
april 1990 tot instelling van een belasting op het lozen van
industrieel en huishoudelijk afvalwater worden de woorden "van de
lozingsvergunning" vervangen door de woorden "van de
milieuvergunning".
Art. 137. In artikel 3, 2°, van hetzelfde decreet
worden de woorden "van de lozingsvergunning" vervangen door de
woorden "van de milieuvergunning".
Art. 138. In artikel 7, § 1, van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de woorden "in
de lozingsvergunning" vervangen door de woorden "in de
milieuvergunning" en worden de woorden "vergunningsvoorwaarden"
vervangen door de woorden "normen van de milieuvergunning".
Afdeling III. - Afvalstoffen
Art. 139. Artikel 2 van het decreet van 27 juni 1996
betreffende de afvalstoffen wordt gewijzigd als volgt :
1° punt 18° wordt opgeheven;
2° de punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°,
24° en 25° worden respectievelijk de punten 18°,
19°, 20°, 21°, 22°, 23° en 24°;
3° er wordt een nieuw punt 25° ingevoegd, luidend als volgt
:
« 25° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel
1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning";
4° er wordt een punt 26° ingevoegd, luidend als volgt :
« 26° aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1,
2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning".
Art. 140. Artikel 6, § 3, van hetzelfde decreet wordt
vervangen als volgt :
« De milieuvergunningen en de wijzigingen van de na de
inwerkingtreding van dit decreet verleende vergunningen voor
ingedeelde inrichtingen bevatten exploitatienormen inzake
afvalpreventie.
Art. 141. In artikel 7, § 5, van hetzelfde decreet
worden de woorden "installatie die erkend of geregistreerd is om ze
te beheren" vervangen door de woorden "inrichting die over een
vergunning beschikt of aangegeven is voor het beheer ervan".
Art. 142. In artikel 8, 3°, van hetzelfde decreet
worden de woorden "de installaties of de activiteiten voor
afvalbeheer aan vergunning of registratie onderwerpen, evenals"
geschrapt.
Art. 143. Artikel 11 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd
als volgt :
1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt vervangen als volgt
:
« De vestiging en de exploitatie van een installatie voor de
verzameling, verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen zijn
aan een milieuvergunning of aan een aangifte onderworpen,
overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 11 maart 1999
betreffende de milieuvergunning";
2° in het tweede lid van dezelfde paragraaf worden de woorden
"de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden" vervangen door de woorden
"specifieke normen voor het afvalbeheer";
3° in het derde lid van dezelfde paragraaf wordt het woord
"vergunning" vervangen door het woord "milieuvergunning";
4° de paragrafen 2 à 8 worden opgeheven en paragraaf 1
wordt het eerste lid van het artikel.
Art. 144. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 145. Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 146. In artikel 14 van hetzelfde decreet worden de
punten 1° en 5° geschrapt en worden de punten 2°,
3° en 4° respectievelijk de punten 1°, 2° en
3°.
Het nieuwe punt 2°, c, van hetzelfde artikel wordt gewijzigd als
volgt : "het stellen van een zekerheid ten gunste van de Dienst, met
inachtneming van één van de normen bedoeld in artikel
55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning,
ten einde elke krachtens dit decreet opgelegde verplichting na te
komen".
Art. 147. Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 148. In artikel 19 van hetzelfde decreet wordt
paragraaf 4 opgeheven.
Art. 149. Artikel 20 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd
als volgt :
1° in § 1, eerste lid, en § 2, vijfde lid, van
hetzelfde decreet wordt het woord "oorspronkelijke" ingevoegd voor
het woord "afvalproducent";
2° in § 2 van hetzelfde artikel worden de woorden "De in
artikel 11 bedoelde vergunning tot vestiging en exploitatie"
vervangen door de woorden "De milieuvergunning";
3° in de §§ 3 en 4 van hetzelfde artikel worden de
woorden "vergunningsaanvraag" en "vergunningen" respectievelijk
vervangen door de woorden "aanvraag om milieuvergunning" en
"milieuvergunningen".
Art. 150. Artikel 22 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 151. In artikel 24, § 2, eerste en tweede lid,
van hetzelfde decreet wordt het woord "oorspronkelijke" ingevoegd
vóór het woord "afvalproducenten".
Art. 152. In artikel 26 van hetzelfde decreet wordt
paragraaf 4 vervangen als volgt :
« De aanvragen om een milieuvergunning of om een eenmalige
vergunning in de zin van artikel 1, 1° of 12°, van het
decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de
aanvragen om een stedenbouwvergunning in de zin van artikel 84,
§ 1, van het « CWATUP » betreffende een site die
opgenomen is op het plan voor centra voor technische ingraving van
niet inerte afvalstoffen, vallen niet onder de toepassing van de
bepalingen van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van
de milieueffectenbeoordeling in het Waalse Gewest, voor zover het
voorwerp ervan overeenstemt met de bestemming waarin het plan voor
die site voorziet.
Er wordt een bijkomend onderzoek in het kader van de
vergunningsprocedure uitgevoerd :
1° als bovenbedoelde aanvragen meer dan vijf jaar na de
goedkeuring van het plan voor centra voor technische ingraving
ingediend worden;
2° als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht zijn
getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden tijdens
het effectonderzoek betreffende het ontwerp van plan voor centra voor
technische ingraving.
Het bijkomend effectonderzoek valt onder de bepalingen van het
decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de
milieueffectenbeoordeling in het Waalse Gewest. »
Art. 153. In artikel 36, 2°, van hetzelfde decreet
wordt het woord "vergunningen" geschrapt.
Art. 154. In artikel 41, § 1, van hetzelfde decreet
worden de woorden "vergunning" en "registratie" vervangen door de
woorden "milieuvergunning" en "aangifte".
Art. 155. In artikel 42, § 1, eerste lid, van
hetzelfde decreet worden de woorden "vergunning" en "registratie"
geschrapt.
In artikel 42, § 1, derde lid, worden de woorden "vergunning tot
beheer, in de zin van dit decreet, en als vergunning tot wijziging
van het reliëf van de bodem, in de zin van artikel 41, § 1,
2° van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw
en patrimonium" vervangen door de woorden "milieuvergunning in de zin
van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende
de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning in de zin van
artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke
ordening, stedenbouw en patrimonium".
Art. 156. Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd
als volgt :
1° in § 1, derde lid, worden de woorden "de in artikel 13
bedoelde" vervangen door de woorden "de in artikel 55 van het decreet
van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde";
2° in § 4 worden de woorden "vergunning tot beheer, in de
zin van dit decreet, en als vergunning tot wijziging van het
reliëf van de bodem, in de zin van artikel 41, § 1, 2°
van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en
patrimonium" vervangen door de woorden "milieuvergunning in de zin
van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende
de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning in de zin van
artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke
ordening, stedenbouw en patrimonium".
Art. 157. De leden 2 à 4 van artikel 45 van
hetzelfde decreet worden vervangen als volgt :
« Ze beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen om
hun opdrachten te vervullen.
De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank
van eerste aanleg van hun woonplaats.
De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte
van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van
eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het
personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.
Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed
afleggen. »
Art. 158. Artikel 46 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 159. In artikel 47, § 1, van hetzelfde decreet
worden de woorden « de vergunning, registratie » en «
een vergunning of registratie » geschrapt.
Art. 160. Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt vervangen
als volgt :
« Art. 49. Elke krachtens dit decreet verleende erkenning kan
opgeschort of ingetrokken worden door de overheid die bevoegd is om
de erkenningen te verlenen, als de bepalingen van dit decreet of de
uitvoeringsbesluiten ervan of de erkenningsnormen niet in acht worden
genomen.
De Regering mag optreden in de plaats van de overheid die de
erkenning heeft verleend als deze laatste verzuimt het te doen.
»
Art. 161. In de artikelen 51 en 52 van hetzelfde decreet
worden de getallen "11, 13" geschrapt.
Art. 162. In artikel 56 van hetzelfde decreet wordt de
tweede zin gewijzigd als volgt : "Bovendien kan de rechter de
veroordeelde verplichten zijn krachtens het decreet van 11 maart 1999
betreffende de milieuvergunningen of krachtens dit decreet aan
erkenning onderworpen activiteiten tijdelijk of definitief stop te
zetten. »
Art. 163. Artikel 58, § 3, tweede lid, van hetzelfde
decreet wordt vervangen als volgt :
« Het vonnis geldt in voorkomend geval als milieuvergunning voor
afvalverwijdering in de zin van het decreet van 11 maart 1999
betreffende de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning
in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van
ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium. »
Art. 164. Artikel 69 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 165. In artikel 70, eerste lid, van hetzelfde decreet
wordt het woord "bouwvergunning" vervangen door de woorden
"stedenbouwkundige vergunning" en het woord « vergunning »
door « milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning
».
In het tweede lid van hetzelfde artikel worden de woorden "tot
vergunning" vervangen door de woorden "tot een milieuvergunning en
een stedenbouwkundige vergunning".
Art. 166. Artikel 7, § 2, van het decreet van 25 juli
1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse
Gewest, gewijzigd bij de decreten van 17 december 1992 en 27 juni
1996, wordt vervangen als volgt :
« § 2. In afwijking van § 1 is de aanwezigheid van
afvalstoffen op een plaats waar een natuurlijke of rechtspersoon een
activiteit uitgeoefend heeft of uitoefent die toegelaten is krachtens
het besluit van de Regent van 4 februari 1946 houdende goedkeuring
van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, het decreet
van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 27 juni
1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 9 mei 1985
betreffende de ontsluiting van de steenbergen, het decreet van 7 juli
1988 op de mijnen, het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven of
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de
uitvoeringsbesluiten ervan, niet de grondslag van de belasting, voor
zover de bepalingen van deze vergunningen in de aanwezigheid van die
afvalstoffen voorzien. »
Art. 167. In de artikelen 12 en 13 van hetzelfde decreet,
zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de
woorden "en van zijn uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden
"of van het decreet betreffende de milieuvergunning en de
uitvoeringsbesluiten ervan".
Art. 168. In artikel 22, tweede lid, van hetzelfde decreet,
zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de
woorden "of van het decreet betreffende de milieuvergunning"
ingevoegd na de woorden "betreffende de afvalstoffen".
Art. 169. In artikel 25 van hetzelfde besluit, zoals
gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de woorden "en
van zijn uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden "of van het
decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en van de
uitvoeringsbesluiten ervan".
Afdeling IV. - Effectrapportering
Art. 170. De bepalingen van het decreet van 11 september
1985 tot organisatie van de milieu-effectenbeoordeling in het Waalse
Gewest en de bijlage erbij worden vervangen als volgt :
"TITEL I. - Begripsomschrijving en princiepen
Artikel 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder
:
1° systeem van milieu-effectrapportering : de gezamenlijke
procedures bedoeld in dit decreet en de toepassingsbesluiten ervan
waarbij de weerslag van de projecten op het milieu onderzocht wordt
vooraleer beslist wordt een vergunning te verlenen;
2° project : operatie, activiteit, werk, bouw, afbraak,
verbouwing, uitbreiding of buitengebruikstelling van installaties,
programma of plan waardoor het leefmilieu wijzigingen ondergaat en
waarvan de uitvoering gepland wordt door een privaat- en
publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon;
3° plan van aanleg : plan van aanleg in de zin van het «
CWATUP »;
4° vergunningen :
a) de vergunningen verleend krachtens het decreet van 11 maart 1999
betreffende de milieuvergunning;
b) de vergunningen verleend krachtens de artikelen 84, 89 en 127 van
het « CWATUP »;
c) de winningsvergunningen verleend krachtens het decreet van 27
oktober 1988 op de groeven;
d) de krachtens het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting
van de steenbergen verleende vergunningen voor de nuttige toepassing
van de steenbergen;
e) de door de Regering opgesomde en krachtens wetten, decreten en
reglementen genomen bestuurshandelingen waarbij besloten wordt een
project geheel of gedeeltelijk uit te voeren;
5° korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering :
document waarin de voornaamste ecologische parameters van het project
opgenomen zijn en waarin de nadruk wordt gelegd op de effecten ervan
op het milieu;
6° effectonderzoek : wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door
een erkende persoon, waarin de nadruk wordt gelegd op de effecten van
het project op het milieu;
7° bevoegde overheid : al dan niet beraadslagend orgaan, met of
zonder rechtspersoonlijkheid, dat met een openbare opdracht belast is
en bevoegd is om de in dit artikel bedoelde vergunning te verlenen,
met inbegrip van de inzake beroepen bevoegde overheid;
8° niet-technische samenvatting : het document bevattende de
voornaamste resultaten van het effectonderzoek, een synthese van de
effecten van het project op het milieu, een lijst van de maatregelen
die overwogen worden om de negatieve effecten van het project op het
milieu te voorkomen, te beperken en, indien mogelijk, te
verhelpen.
Art. 2. De tenuitvoerlegging van de bij dit decreet bepaalde
procedures heeft als hoofddoel :
- de kwaliteit van het leefklimaat en de leefomstandigheden van de
bevolking te beschermen en te verbeteren en haar een gezonde, veilige
en aangename omgeving te verschaffen;
- de leefomgeving en de natuurlijke hulpbronnen te beheren met het
oog op het behoud van hun kwaliteiten en op het rationeel en
oordeelkundig gebruik van hun potentialiteiten;
- evenwicht te brengen tussen de menselijke behoeften en het
leefmilieu, waardoor de gezamenlijke bevolking op lange termijn zal
kunnen genieten van een goed leefklimaat en van degelijke
leefomstandigheden.
Art. 3. In het Waalse Gewest wordt een systeem ingevoerd om de
effecten van de projecten op het milieu te evalueren.
Art. 4. De afgifte van elke vergunning is onderworpen aan de
tenuitvoerlegging van het in dit decreet bedoelde systeem van
milieu-effectrapportering.
Als verschillende vergunningen worden vereist, wordt voorzien in
één enkel systeem van effectrapportering voor zover het
betrekking heeft op alle aspecten van de vergunningen die
noodzakelijk zijn om het project tot een goed einde te brengen.
De Regering bepaalt de regels voor de toepassing van dit artikel op
grond van algemene normen.
Art. 5. De inzake beroepen bevoegde overheid en de administratieve
rechter kunnen iedere vergunning die verleend wordt in strijd met de
bepalingen van artikel 4, eerste lid, nietig verklaren.
De nietigheid moet hoe dan ook uitgesproken worden in de volgende
gevallen :
1° bij gebrek aan een korte uiteenzetting als ze krachtens het
decreet wordt vereist;
2° in geval van overtreding van één van de
bepalingen van artikel 14;
3° bij gebrek aan een effectonderzoek als het vereist wordt bij
of krachtens dit decreet;
4° als de met het onderzoek belaste persoon niet erkend is;
5° bij gebrek aan een niet-technische samenvatting;
6° bij gebrek aan de in artikel 12 bedoelde raadpleging van de
bevolking.
Art. 6. De vergunning en de vergunningsweigering moeten met redenen
omkleed zijn, met name op grond van de milieueffecten en van de
doelstellingen bedoeld in artikel 12.
TITEL II. - Systeem voor de rapportering van de effecten van de
projecten op het milieu
Art. 7. Elke vergunningsaanvraag bevat ofwel een korte uiteenzetting
van de milieueffectrapportering, ofwel een
milieu-effectonderzoek.
Art. 8. § 1. Onverminderd de artikelen 42 en 50 van het «
CWATUP » dient de effectrapportering, ongeacht of het gaat om de
korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering of om het
effectonderzoek, voor de identificatie, de omschrijving en de
evaluatie van de rechtstreekse en onrechtstreekse effecten, op korte,
middellange en lange termijn, van de inrichting en de
tenuitvoerlegging van het project op :
1° de mens, de fauna en de flora;
2° de bodem, het water, de lucht, het klimaat en de
landschappen;
3° de materiële goederen en het cultureel patrimonium;
4° de wisselwerking tussen de factoren bedoeld in 1°,
2° en 3° van dit lid.
§ 2. De Regering bepaalt de lijst van de projecten die van wege
hun aard, omvang of lokalisatie noemenswaardige effecten zouden
kunnen hebben op het milieu en aan een milieu effectonderzoek
onderworpen moeten worden.
De Regering bepaalt de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde
lijst op grond van de selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij dit
decreet.
§ 3. De volgende aanvragen zijn onderworpen aan een
milieueffectrapportering :
1° de vergunningsaanvragen betreffende projecten die niet
opgenomen zijn in § 2;
2° in afwijking van § 2, de vergunningsaanvragen die
betrekking hebben op projecten gelegen in een perimeter die
onderworpen is aan de voorschriften van een plan van aanleg waarvoor
een milieu-effectonderzoek werd verricht, en die aan de voorschriften
van dat plan voldoen.
§ 4. In afwijking van § 3, 2°, moet het
milieu-effectonderzoek in het kader van de vergunningsprocedure
aangevuld worden :
1° als de vergunningsaanvraag meer dan vijf jaar na de
inwerkingtreding van het plan wordt ingediend;
2° als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht zijn
getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden bij het
onderzoek voorafgaande aan de goedkeuring van het plan van
aanleg.
De beslissing van de bevoegde overheid waarbij het project aan een
bijkomend onderzoek wordt onderworpen, wordt genomen binnen vijftien
dagen na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde aanvraag. Als
geen beslissing wordt genomen binnen deze termijn, wordt geen
bijkomend onderzoek verlangd.
De Regering kan de regels bepalen voor de door de bevoegde overheid
te verrichten vaststelling en voor de uitvoering van het aanvullend
effectonderzoek.
Art. 9. § 1. De Regering bepaalt de vorm en de minimale inhoud
van de korte uiteenzetting van de milieu-effectrapportering. Ze kan
beslissen dat het dossier van de vergunningsaanvraag gelijk staat met
de korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering.
§ 2. De Regering kan de vorm en de minimale inhoud van het
milieueffectonderzoek bepalen.
Het effectonderzoek bevat ten minste :
1° een omschrijving van het project met gegevens over de site,
het ontwerp en de afmetingen ervan;
2° de nodige gegevens voor de identificatie en de evaluatie van
de voornaamste effecten die het plan op het milieu zou kunnen
hebben;
3° een beschrijving van de geplande maatregelen om belangrijke
negatieve effecten te voorkomen en te beperken en, indien nodig, te
verhelpen;
4° een schets van de voornaamste vervangingsoplossingen die door
de aanvrager onderzocht zijn en een opgave van de voornaamste redenen
van zijn keuze rekening houdende met de effecten op het milieu;
5° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde
gegevens.
Als de aanvrager de bevoegde overheid om advies vraagt over de in het
kader van het effectonderzoek te verstrekken informatie, bepaalt de
Regering hoe het advies moet worden uitgebracht.
Art. 10. De bevoegde overheid evalueert de effecten van het project
op grond van het milieu-effectonderzoek of van de korte uiteenzetting
van de milieueffectrapportering, de ingewonnen adviezen en van elk
ander gegeven dat ze nuttig acht.
Wanneer de bevoegde overheid of de door de Regering aangewezen
organen die bij de behandeling van de aanvraag betrokken zijn, niet
beschikken over de vereiste gegevens, kunnen ze bijkomende informatie
verlangen van de aanvrager of de auteur van onderzoeken.
De auteur van het project kiest een krachtens artikel 11 erkende
persoon om het onderzoek uit te voeren.
TITEL III. - Milieueffectonderzoeken
Art. 11. De Regering erkent, volgens de door haar bepaalde criteria
en procedure, de natuurlijke en rechtspersonen die belast kunnen
worden met milieueffectonderzoeken; ze bepaalt hoe de erkenning wordt
verleend en ingetrokken. De erkenning kan namelijk tijdelijk of
definitief worden ingetrokken als de Regering, na een eerste
behoorlijk meegedeelde waarschuwing, de uiterst matige kwaliteit van
een onderzoek vaststelt.
De "Conseil wallon de l'Environnement pour le développement
durable" (Waalse Milieuraad voor de duurzame ontwikkeling), ingesteld
bij het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in
het kader van de duurzame ontwikkeling, moet geraadpleegd worden
vóór elke intrekking van erkenning, evenals de «
Commission régionale d'aménagement du territoire »
(Gewestelijke Commissie voor ruimtelijke ordening) in het geval van
een effectonderzoek betreffende een plan van aanleg.
De Regering bepaalt in welke gevallen een erkende persoon onbevoegd
kan worden verklaard voor de uitvoering van een onderzoek.
Art. 12. Voor de aan een effectonderzoek onderworpen projecten wordt
de bevolking geraadpleegd vóór de indiening van de
vergunningsaanvraag. De raadpleging dient met name om te wijzen op
specifieke punten die zouden kunnen worden aangesneden in het
effectonderzoek, en om alternatieven voor te leggen die de auteur van
het project redelijkerwijs in overweging zou kunnen nemen bij de
uitvoering van het effectonderzoek.
De Regering bepaalt :
1° hoe deze alternatieven worden medegedeeld aan de met het
onderzoek belaste persoon;
2° de voorschriften voor de raadpleging en de maatregelen om de
bevolking daarvan in kennis te stellen.
Art. 13. De "Conseil wallon de l'Environnement pour le
développement durable" of zijn afgevaardigde alsmede, in het
geval van een effectonderzoek betreffende een plan van aanleg, de
« Commission régionale d'aménagement du territoire
» hebben het recht om de betrokken openbare overheden, de
aanvrager en de persoon die het onderzoek uitvoert om elk gegeven te
verzoeken i.v.m. de vergunningsaanvraag en het verloop van het
effectonderzoek. Zij kunnen de Regering en de bevoegde overheid
nuttige opmerkingen en suggesties i.v.m. het effectonderzoek
verstrekken.
Art. 14. De projecten waarvoor een effectonderzoek wordt verricht,
zijn onderworpen aan een openbaar onderzoek waarbij de volgende
principes in acht worden genomen :
1° de niet-technische samenvatting en het effectonderzoek worden
openbaar gemaakt;
2° het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;
3° het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15
augustus. Als de in het eerste lid, 2°, bedoelde termijn voor
het openbaar onderzoek langer is dan die welke toepasselijk is op de
vergunningsaanvraag, worden de bij andere wetten, decreten en
besluiten bepaalde proceduretermijnen verlengd met een duur die
gelijk is aan het verschil tussen de twee bovenvermelde
termijnen.
Voor de aan een effectonderzoek onderworpen projecten kan de
Regering, naast de bij andere wetten, decreten of besluiten bepaalde
regels betreffende een openbaar onderzoek, in bijkomende regels
voorzien.
De Regering kan regels bepalen voor de organisatie van het openbaar
onderzoek als de met de organisatie belaste overheid haar
verplichtingen niet nakomt.
Art. 15. De bevolking kan op werkuren inzage nemen van een dossier op
een plaats die de bevoegde overheid bepaalt. Dit dossier bevat het
onderzoek in origineel of een door de auteur voor eensluidend
verklaard afschrift ervan, een afschrift van de adviezen en
briefwisseling die door de burgers en de verschillende betrokken
diensten of instellingen gezonden worden. De overheid voegt de
briefwisseling en de geschreven adviezen die ze in het kader van het
openbaar onderzoek ontvangt, bij het dossier.
Art. 16. § 1. Als van een in het Waalse Gewest te verwezenlijken
project wordt vermoed dat het schadelijk kan zijn voor het milieu in
een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een
Staat die partij is bij het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in
grensoverschrijdend verband, opgemaakt te Espoo op 25 februari 1991,
wordt het dossier betreffende de vergunningsaanvraag, samen met het
effectonderzoek en de eventuele gegevens over de grensoverschrijdende
effecten overgemaakt aan de bevoegde overheden van het andere Gewest,
de andere Lidstaat van de Europese Unie of de andere Staat die partij
is bij het Verdrag van Espoo.
De Regering bepaalt :
1° welke organen belast zijn met de overdracht van het dossier
aan de in het eerste lid bedoelde overheden;
2° de voorwaarden waaronder de bevoegde overheden van het
betrokken Gewest of de betrokken Staat mogen deelnemen aan de
procedure betreffende de milieueffectrapportering;
3° de wijze waarop de in artikel 17 bedoelde gegevens verstrekt
worden aan de in het eerste lid bedoelde overheden.
§ 2. Als een project dat verwezenlijkt moet worden in een ander
Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een Staat die
partij is bij het Verdrag van Espoo, schade kan toebrengen aan het
milieu van het Waalse Gewest, worden de gegevens bedoeld in artikel
7.3. van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de waardering van de
weerslagen van sommige openbare en privé-ontwerpen op het
leefmilieu, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EEG, overgemaakt door
de bevoegde overheden van het andere Gewest of de andere Staat en ter
beschikking gesteld van de betrokken bevolking en de door de Regering
aangewezen organen.
De Regering bepaalt :
1° de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens ter
beschikking worden gesteld van de bevolking en de in het eerste lid
bedoelde organen;
2° hoe het advies van de bevolking en de geraadpleegde organen
wordt ingewonnen en meegedeeld.
Art. 17. De Regering bepaalt de wijze van bekendmaking van :
1° de beslissing van de bevoegde overheid, in voorkomend geval
vergezeld van de exploitatienormen;
2° de grondslag van de beslissing;
3° in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste
maatregelen die getroffen moeten worden om de belangrijke negatieve
effecten van het project te voorkomen, te beperken en, indien
mogelijk, te compenseren.
TITEL IV. - Algemene en strafbepalingen
Art. 18. De belemmering van de uitvoering van het openbaar onderzoek
of het onttrekken van stukken van het in artikel 15 bedoelde dossier
voor het openbaar onderzoek, wordt gestraft met een gevangenisstraf
van één à zes maanden en met een geldboete van
100 BEF tot 250 BEF, of met één van deze straffen.
De met het effectonderzoek belaste personen worden gelijkgesteld met
"personen belast met een openbare dienst" voor de toepassing van
Titel IV, hoofdstuk IV, van het Strafwetboek dat omkoping
bestraft.
TITEL V. - Slot- en overgangsbepalingen
Art. 19. Onverminderd de in artikel 11 bedoelde mogelijkheid die de
Regering heeft om een erkenning tijdelijk of definitief in te
trekken, blijven de vóór de inwerkingtreding van dit
decreet verleende vergunningen geldig totdat de termijn waarvoor ze
verleend worden verstreken is.
Art. 20. De vergunningsaanvragen alsmede de georganiseerde
administratieve beroepen die vóór de inwerkingtreding
van dit decreet worden ingediend, worden behandeld volgens de op de
dag van de indiening van de aanvraag vigerende procedure.
Bijlage bij het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de
milieueffectrapportering in het Waalse Gewest
Selectiecriteria bedoeld in artikel 8, § 2
1. Eigenschappen van de aan een effectrapportering onderworpen
projecten
De eigenschappen van de bovenbedoelde projecten moeten in aanmerking
worden genomen met name in verband met :
- de omvang van het ontwerp;
- de cumulatie met andere projecten;
- het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
- het voortbrengen van afvalstoffen;
- verontreiniging en hinder;
- gevaar voor ongevallen, rekening houdende namelijk met de gebruikte
stoffen of aangewende technologieën.
2. Lokalisatie van de aan een effectrapportering onderworpen
projecten
De ecologische sensibiliteit van de geografische zones waar het
project schade zou kunnen veroorzaken, moet in overweging worden
genomen met inachtneming van :
- de ingebruikneming van de bestaande gronden;
- de relatieve rijkdom, de kwaliteit en de regeneratiecapaciteit van
de natuurlijke hulpbronnen van de zone;
- het belastingsvermogen van het natuurlijke milieu
3. Eigenschappen van de potentiële impact
De noemenswaardige effecten die een project zou kunnen hebben, moeten
gezien worden op grond van de in 1 en 2 bedoelde criteria, met name
in verband met :
- de omvang van de impact (geografische zone en aantal betrokken
inwoners);
- de grensoverschrijdende aard van de impact;
- de omvang en de complexiteit van de impact;
- de waarschijnlijkheid van de impact;
- de duur, de frequentie en omkeerbaarheid van de impact. »
Afdeling V. - Ontplofbare stoffen
Art. 171. De wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en
voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen
tuigen houdt op van toepassing te zijn in het Waalse Gewest wat
betreft de buitenpolitie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke
inrichtingen.
Afdeling VI. - Steenbergen
Art. 172. In artikel 1, 3°, van het decreet van 9 mei
1985 betreffende de ontsluiting van steenbergen, zoals gewijzigd bij
het decreet van 6 mei 1993, worden de woorden "bedoeld in artikel 42,
§ 1" vervangen door de woorden "in de zin van".
Art. 173. Het eerste lid van artikel 2 van hetzelfde
decreet wordt vervangen als volgt :
« De vergunning tot ontsluiting van een steenberg houdt van
rechtswege de afgifte in van de bouwvergunning in de zin van artikel
84 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en
patrimonium en van de milieuvergunning in de zin van artikel 1,
1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning om de steenberg te exploiteren. »
Afdeling VII. - Natuurparken
Art. 174. Artikel 13, § 1, van het decreet van 16 juli
1985 betreffende natuurparken wordt gewijzigd als volgt :
1° de woorden "door de bevoegde overheid" worden geschrapt;
2° punt 1° wordt vervangen als volgt : "1° de
toekenning van milieuvergunningen voor inrichtingen van klasse 1 in
de zin van artikel 3 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning";
3° in 3° worden de woorden "machtigingen tot" vervangen
door de woorden "milieuvergunning voor een";
4° in 5° worden de woorden "machtigingen tot" vervangen
door de termen "milieuvergunning voor de".
In artikel 13, § 2, van hetzelfde decreet worden het eerste en
het tweede lid vervangen als volgt :
« De in het eerste lid, 1°, 3° en 5°, bedoelde
adviezen worden gevraagd door de technisch ambtenaar bedoeld in
artikel 1, 14°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de
milieuvergunning. Ze worden overgemaakt aan de technisch
ambtenaar.
De in het eerste lid, 1°, 2°, 4°, 6° en 7°,
bedoelde adviezen worden gevraagd door de bevoegde overheid.
De voor het afgeven van de in § 1 bedoelde vergunningen bevoegde
overheden mogen slechts bij een speciaal met redenen omklede
beslissing van dit advies afwijken. »
Afdeling VIII. - Vervoer van gevaarlijke producten en
exploitatie van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor
gasopslag
Art. 175. De wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer
van gasachtige producten en andere door middel van leidingen en de
wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van
ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas
worden opgeheven wat betreft de milieubescherming voor de in dit
decreet bedoelde inrichtingen.
HOOFDSTUK XIII. - Slot- en overgangsbepalingen
Art. 176. Behoudens andersluidende bepaling geschiedt elke
verzending bedoeld in de hoofdstukken II, III en IV bij ter post
aangetekend schrijven, waarbij de poststempel bewijskracht heeft. De
verzending moet uiterlijk op de vervaldag geschieden.
De vervaldag wordt ingerekend in de termijn. Als de vervaldag een
zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, dan wordt hij naar de
volgende werkdag verschoven.
Art. 177. De natuurlijke of rechtspersoon die een aanvraag
indient of een beroep instelt overeenkomstig dit decreet, moet een
dossiersrecht betalen waarvan het bedrag integraal wordt gestort op
de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest.
Het in het eerste lid bedoelde dossiersrecht wordt berekend als volgt
:
1° 20.000 BEF voor de aanvraag van een milieuvergunning
betreffende een inrichting van klasse 1;
2° 5.000 BEF voor de aanvraag van een milieuvergunning
betreffende een inrichting van klasse 2;
3° 1.000 BEF voor een overeenkomstig artikel 41 ingesteld
beroep.
Het dossiersrecht moet betaald worden de dag waarop de aanvraag wordt
ingediend of het beroep ingesteld.
De Regering bepaalt hoe de dossiersrechten worden geheven.
Art. 178. De Regering kan, in samenspraak met de Minister
van Landsverdediging, bijzondere regels voor de toepassing van dit
decreet vastleggen voor de ingedeelde installaties en activiteiten
die onder het Ministerie van Landsverdediging ressorteren, voor zover
ze betrekking hebben op de Staatsveiligheid.
Art. 179. De Regering kan de bepalingen van dit decreet
codificeren met de bepalingen die ze uitdrukkelijk of impliciet
zouden hebben gewijzigd en met andere decreten die van toepassing
zijn op het milieu, het waterbeleid en het natuurbehoud.
Daartoe kan ze :
1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de presentatie
van de bepalingen wijzigen;
2° de in de te codificeren bepalingen opgegeven verwijzingen
wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe
nummering;
3° de opstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen om te
zorgen voor de overeenstemming ervan en om de terminologie ervan te
uniformeren met inachtneming van de in deze bepalingen bedoelde
princiepen.
De codificatie krijgt de titel : "Waalse Milieucode".
Het codificatiebesluit van de Regering zal het voorwerp uitmaken van
een ontwerp van bekrachtigingsdecreet dat aan de Waalse Gewestraad
zal worden voorgelegd.
Art. 180. Onder vergunning in de zin van dit artikel wordt
verstaan elke vergunning, machtiging of registratie die
vóór de inwerkingtreding van dit decreet verleend moet
worden voor de exploitatie van een inrichting.
De vóór de inwerkingtreding van dit decreet verleende
vergunningen blijven geldig voor de vastgelegde termijn, onverminderd
de toepassing van de hoofdstukken VIII, IX en X.
De vóór de inwerkingtreding van dit decreet ingediende
vergunningsaanvragen en ingestelde georganiseerde administratieve
beroepen worden behandeld volgens de procedure die van toepassing is
de dag waarop de aanvraag wordt ingediend.
Art. 181. Wanneer vóór de inwerkingtreding
van dit decreet vergunningen worden afgegeven voor installaties en/of
activiteiten die krachtens dit decreet zijn ingedeeld en die deel
uitmaken van overeenkomstig dit decreet ingedeelde inrichtingen, en
wanneer één van deze vergunningen voor deze als
aanhorig ingedeelde installaties en/of activiteiten verstrijkt, moet
de vergunninghouder :
1° ofwel een nieuwe milieuvergunning aanvragen of een aangifte
indienen voor de betrokken inrichting waarvan de installatie en/of de
activiteit deel uitmaakt;
2° ofwel, in afwijking van de artikelen 10 en 11, een nieuwe
milieuvergunning aanvragen of een aangifte indienen voor de
installatie en/of de activiteit die deel uitmaakt van de inrichting.
Art. 182. De wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op
de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de
stoommachines en ketels wordt opgeheven wat betreft de in dit decreet
bedoelde inrichtingen.
Deze opheffing geldt niet voor de maatregelen van interne politie die
betrekking hebben op de arbeidsbescherming.
Art. 183. Dit decreet treedt in werking op de door de
Regering bepaalde datum.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch
Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Namen, 11 maart 1999.
De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie,
Buitenlandse Handel, K.M.O.'s, Toerisme en Patrimonium,
R. COLLIGNON
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Uitrusting en Vervoer,
M. LEBRUN
De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en
Ambtenarenzaken,
B. ANSELME
De Minister van Begroting en Financiën, Tewerkstelling en
Vorming,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en
Landbouw,
G. LUTGEN
De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid,
W. TAMINIAUX
De Minister van Onderzoek, Technologische Ontwikkeling, Sport en
Internationale Betrekkingen,
W. ANCION
_______
Nota
(1) Zitting 1998-1999 :
Stukken van de Raad 392 (1997-1998), nrs. 1 à 170.
Volledig verslag. - Openbare vergadering van 3 maart 1999.
Bespreking. - Stemming.
|