Ademhalingsmasker:
Masker dat de gebruiker beschermt tegen het inademen van biologische/gevaarlijke/infectieuze
deeltjes. Chirurgische maskers horen hier niet bij.
(Voor meer info, zie document “Gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen
bij het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen en/of
pathogenen”, op deze
pagina te downloaden)
Animalarium: Gebouw of zone
binnenin een gebouw waarin dieren gehuisvest worden en waarin zich tevens
andere ruimtes kunnen bevinden, zoals kleedkamers, douches, wasruimtes
met kooiwassers en autoclaven (voor het reinigen
en steriliseren van kooien), ruimtes voor het stockeren van voedsel.
Autoclaaf: Toestel dat stoffen
of uitrustingen inactiveert door rechtstreekse
of onrechtstreekse stoominjectie onder een druk die hoger is dan de
atmosferische druk. (1)
Een autoclaaf kan dienen zowel voor de inactivering
van biologisch gecontamineerd afval voor afvoer als voor het steriliseren
van glaswerk of herbruikbaar materiaal voor gebruik in een laboratorium.
(Voor meer info, zie document “Bioveiligheidsaanbevelingen aangaande
behandelings- en inactiveringsmethoden voor biologisch besmet afval”,
te downloaden op deze pagina)
Bio-aerosol: Vloeibare (micro-druppels)
of vaste deeltjes, verspreid in de lucht, die micro-organismen
bevatten.
De vorming van bio-aerosols kan verschillende oorzaken hebben, bij voorbeeld
het accidenteel morsen van een vloeistof die micro-organismen bevat,
het breken van een buis in een centrifuge of het openen zonder voorzorgen
van een tube waarvan de dop gecontamineerd is. Ze zijn een belangrijke
oorzaak van besmetting wanneer ze niet worden ingeperkt.
Microbiologische veiligheidskasten en ademhalingsmaskers
bieden een goede bescherming tegen bio-aerosols.
Bioveiligheid: De veiligheid
voor de gezondheid van de mens en voor het leefmilieu, met inbegrip
van de bescherming van de biodiversiteit bij gebruik van genetisch
gemodificeerde organismen of micro-organismen en bij het ingeperkt
gebruik van voor de mens pathogene organismen.
(3)
Bioveiligheidscoördinator2:
Persoon verantwoordelijk voor de bioveiligheid
in een bedrijf, ziet toe dat de inperkingsmaatregelen nageleefd worden,
heeft contact met de bevoegde instanties voor de toelatingen. Deze persoon
stelt een procedure op in geval van ongeval (intern
rampenplan). Het is een belangrijke contactpersoon indien een rampenplan
opgesteld zou moeten worden.
Cultuur: In vitro-techniek, gebruikt
om dierlijke of menselijke cellen of micro-organismen
te vermenigvuldigen in optimale omstandigheden, in/op specifieke milieus.
Culturen kunnen kleinschalig zijn, in petri-platen (Fig. 1) of in cultuurflessen
(Fig. 2), of grootschalig in fermentoren (Fig. 3).
|
|
|
Fig.
1: Petri-plaat |
Fig.
2: Cultuurflessen |
Fig.
3: Fermentor |

Decontaminatie: Procedure die resulteert
in een vermindering van het aantal micro-organismen
tot een veilig niveau.
De decontaminatie van een werkoppervlak kan bij voorbeeld noodzakelijk
zijn na het accidenteel morsen erop van een vloeistof die micro-organismen
bevat.
Exploitant: De persoon op
wiens naam de milieuvergunning van de exploitatie is opgesteld.
Fytopathogenen: De (micro-)organismen,
al dan niet genetisch gemodificeerd, die bij de gezonde
plant een ziekte kunnen veroorzaken. (1)
Bij voorbeeld: Agrobacterium tumefaciens, dat kroongal veroorzaakt
op fruitbomen.
Gebruiker: Elke natuurlijke
of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkt
gebruik van GGO’s en/of van pathogene
organismen. (2)
Bij voorbeeld in een universiteit is de gebruiker meestal de projectverantwoordelijke
(hoofd van het laboratorium) of het diensthoofd.
Genetisch gemodificeerde (micro-)organisme
(GGO/GGM): Een (micro-)organisme waarvan
het genetisch materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature door
voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is (2).
Genetische modificatie van een organisme heeft vaak tot doel de wijziging
(of toevoeging) van één of meerdere eigenschappen van
dit organisme.
Bacteriën kunnen bij voorbeeld in het labo genetisch gemodificeerd
worden om een fluorescerend eiwit aan te maken, met als doel de detectie
van deze bacteriën te vergemakkelijken.
HEPA-filter: “High Efficiency
Particulate Air-filter”: filter die 99,97 % van de deeltjes met
een diameter van 0,3 µm (microscopische schaal) uit de lucht verwijdert,
maar niet de gassen, dampen van chemische producten of geuren. HEPA-filters
zijn tevens doeltreffend voor deeltjes die groter of kleiner zijn dan
0,3 µm.
Humane pathogeen: De (micro-)organismen,
de celculturen en de (endo)parasieten, al dan niet genetisch gemodificeerd,
die bij de immunocompetente mens een infectie, een allergie of een vergiftiging
kunnen veroorzaken. (1)
Een immunocompetente mens heeft een normaal functionerend immuun systeem.
Enkele voorbeelden van humane pathogenen zijn Plasmodium falciparum,
de parasiet die malaria veroorzaakt, de bacil die tuberculose veroorzaakt
of het mazelenvirus.
Inactivering: Opheffing van de
biologische activiteit van (micro-)organismen.
Incident: Een voorval dat mogelijk
schade had kunnen aanrichten.
Een voorbeeld van een incident is het accidenteel morsen van een fles
met een cultuur dat infectieuze agentia bevat,
dat kon worden opgelost door de toepassing van het intern rampenplan
(opkuisen en de omgeving decontamineren) zonder
dat iemand met de pathogenen gecontamineerd werd.
Ingeperkt gebruik: Elke activiteit
waarbij (micro-)organismen genetisch worden gemodificeerd
of waarbij dergelijke GGO’s en/of pathogenen
worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd
of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen
worden gebruikt om het contact van die (micro-)organismen
met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken en om ze
een hoog niveau van veiligheid te verzekeren. (2)
Voorbeeld: een team dat onderzoek verricht naar het virus van de aviaire
influenza in een laboratorium; de productie op grote schaal in de farmaceutische
industrie van een vaccin; de identificatie van micro-organismen
in een klinisch/diagnostisch laboratorium; loten van een genetisch
gemodificeerd vaccin die opgeslagen worden in een stockageruimte.
Inperkingsmaatregelen: Het geheel
aan technische karakteristieken en veiligheidsuitrustingen van een laboratorium,
de gehanteerde werkpraktijken en het afvalbeheer, die als doel hebben
te verhinderen dat de gebruikte (micro-)organismen met de buitenwereld
in contact zouden komen of de mensen aanwezig in het labo zouden infecteren.
Voorbeelden van inperkingsmaatregelen zijn de HEPA-filtratie
van de lucht voor die naar buiten wordt afgevoerd, de autoclavering
van het afval of het gebruik van beschermkledij specifiek aan de ingeperkte
zone voor de mensen die in het labo werken.
Inperkingsniveaus: De ruimtes
waar pathogene en/of genetisch
gemodificeerde (micro-)organismen aangewend worden, worden ingedeeld
in verschillende inperkingsniveaus in functie van de maximale risicoklasse
van de activiteit van ingeperkt gebruik.
Met elk inperkingsniveau komen welbepaalde inperkingsmaatregelen overeen,
die in de regionale besluiten betreffende het ingeperkt gebruik (1)
staan. Deze ruimtes kunnen laboratoria (L), animalaria (A), serres/kweekkamers
(G voor Greenhouses), ziekenkamers (HR voor Hospital Rooms) of inrichtingen
voor activiteiten op grote schaal (LS voor Large Scale) zijn.
Bij voorbeeld, figuur 4 hieronder is een grondplan van een geheel van
ruimtes met verschillende inperkingsniveaus. De laboratoria met inperkingsniveau
3 (L3) zijn slechts toegankelijk via één of twee sassen,
waarbij toegangscontrole verleend wordt aan de hand van een magnetische
badge of een persoonlijke code. Het L3-laboratorium bevindt zich in
onderdruk ten opzichte van het sas en de gang en
er zijn observatie-ramen aanwezig. De muren, vloeren en plafonden van
het L3-laboratorium zijn glad en gemakkelijk te decontamineren.
|
Fig.
4: Plan van laboratoria waarop de verschillende inperkingsniveaus
aangeduid zijn |

Microbiologische veiligheidskast:
Een werkkast waarbinnen (micro-)organismen gemanipuleerd
worden en die zowel de gebruiker als de omgeving beschermt van ieder
contact met het (micro-)organisme (Fig. 5). In tegenstelling
tot chemische trekkasten, zijn microbiologische veiligheidskasten steeds
van ten minste één HEPA-filter voorzien.
(Voor verdere informatie betreffende microbiologische veiligheidskasten,
zie hier).
|
Fig.
5: Microbiologische veiligheidskast |

Micro-organisme: Elke cellulaire of niet-cellulaire
microbiologische entiteit met het vermogen tot replicatie (vermenigvuldiging)
of tot overbrenging van genetisch materiaal (2).
Voorbeelden van micro-organismen zijn bacteriën, schimmels, parasieten,
virussen en viroïden en de plantaardige en dierlijke celculturen.
Ongeval: Elk incident
tijdens het ingeperkt gebruik waarbij onbedoeld
een significante hoeveelheid GGO’s/GGM’s
of pathogene organismen vrijkomt waardoor de menselijke
gezondheid of het milieu onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden
gebracht. (2)
Voorbeeld: de uitbraak van mond- en klauwzeer3
in augustus 2007 in Groot-Brittannië was waarschijnlijk te wijten
aan de accidentele vrijgave van het virus vanuit twee exploitaties met
laboratoria op de site van Pirbright. De leiding die het gecontamineerd
afvalwater naar de inactiveringstank bracht vertoonde lekken, waardoor
het virus in de omgeving is vrijgekomen en zo de uitbraak heeft kunnen
veroorzaken (6).
Organisme: Elke biologische
entiteit, met inbegrip van micro-organismen, met het
vermogen tot replicatie (vermenigvuldiging) of tot overbrenging van
genetisch materiaal. (1)
Pathogeen (micro-)organisme: (Micro-)organisme
dat een ziekte kan veroorzaken.
Deze term duidt het geheel aan van de organismen
pathogeen voor de mens, de planten (fytopathogenen) en de dieren (zoöpathogenen).
Enkele voorbeelden: het griepvirus, de bacterie die tuberculose veroorzaakt
(Mycobacterium tuberculosis), een schimmel die ademhalingsproblemen
veroorzaakt.
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM):
Iedere uitrusting die bestemd is om door de gebruiker gedragen of vastgehouden
te worden teneinde hem te beschermen tegen één of meer
risico’s die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen
bedreigen, alsmede als alle aanvullingen of accessoires die daartoe
kunnen bijdragen. (5)
Enkele voorbeelden: “Tyvek” beschermpakken, hand-schoenen,
gelaatsmaskers.
Risico-evaluatie: Methodologie
om wetenschappelijke informatie te organiseren en te analyseren teneinde
de probabiliteit en de ernst van een ongewenst/schadelijk effect (op
de menselijke gezondheid en het leefmilieu) te kunnen inschatten.
De risico-evaluatie bestaat uit 3 stappen:
1. Identificatie van de biologische gevaren en bepaling van de risicoklasse
van de genetisch gemodificeerde en/of pathogene
micro-organismen
2. Inschatting van het risico tot blootstelling aan mogelijk biologische
gevaren te wijten aan het type activiteit
3. Toekenning van een risicoklasse aan de activiteit
van ingeperkt gebruik.
(4)
Risicoklasse van de activiteit:
Resultante van de evaluatie van de risicoklasse van het gebruikte micro-organisme
en van de aard van de activiteit.
De manipulatie van een pathogeen micro-organisme
van risicoklasse 3 kan bij voorbeeld een activiteit
van risicoklasse 2 zijn, indien het micro-organisme
niet via de lucht overdraagbaar is en niet in grote hoeveelheden, noch
in hoge concentraties, gemanipuleerd wordt.
Risicoklasse van het micro-organisme:
Micro-organismen zijn in 4 risicoklassen onderverdeeld
(klassen 1, 2, 3 en 4), naar gelang hun vermogen om ziekten te verwekken.
Micro-organismen van risicoklasse 1 zijn niet pathogeen,
terwijl in risicoklasse 4 de gevaarlijkste pathogenen
zitten, waartegen geen vaccinatie of medicatie bestaat. Deze risicoklassen
gelden voor alle micro--organismen, al dan niet genetisch
gemodificeerd.
| Risicoklasse |
Ziekte |
Verspreiding |
Therapie/profylaxis |
1 |
neen |
/ |
/ |
2 |
ja |
onwaarschijnlijk |
ja |
3 |
ernstig |
ja |
ja/meestal |
4 |
ernstig |
hoog |
neen |
- Bakkersgist (Latijnse
naam: Saccharomyces cerevisiae) is een micro-organisme
van risicoklasse 1. We eten er dagelijks zonder dat dit enig probleem
veroorzaakt.
- Legionella pneumophila is een micro-organisme
van risicoklasse 2 dat legionellose veroorzaakt. De overdracht gebeurt
onder andere via bio-aerosols of via contact
met gecontamineerd water, maar gebeurt niet van mens op mens. Legionellose
kan met antibiotica genezen worden. (7)
- Mycobacterium tuberculosis, dat tuberculose veroorzaakt,
is een micro-organisme van risicoklasse 3 voor de
mens, dat via de lucht overdraagbaar is. De ziekte is met een combinatie
van verschillende antibiotica te genezen. (7)
- Een voorbeeld van een micro-organisme van risicoklasse
4, is het Ebola-virus, dat gemakkelijk overdraagbaar is van mens tot
mens door direct contact, waarvan de ziekte een hoge mortaliteitsgraad
vertoont en waartegen geen medicijnen bestaan.
Een micro-organisme kan pathogeen
zijn voor de mens maar niet voor dieren, of omgekeerd. Dit is het geval
voor het mond- en klauwzeervirus. Het is van risicoklasse 4 voor dieren
en van risicoklasse 1 voor de mens (zie tevens 3).
Sas: Ruimte gelegen tussen het laboratorium
(ingeperkte zone) en de gang of ieder andere niet-ingeperkte zone. De
deuren tussen de gang en het sas, en tussen het sas en het laboratorium,
bezitten vaak een gekoppelde vergrendeling. Dit wil zeggen dat een deur
enkel kan opengaan indien de andere gesloten is, maar in geval van nood
kunnen ze tegelijkertijd open om de doorgang van de hulpdiensten niet
te verhinderen.
Zoöpathogenen: De (micro-)organismen,
al dan niet genetisch gemodificeerd, die bij het immunocompetente dier
een infectie, een allergie of een vergiftiging kunnen veroorzaken. (1)
Een immunocompetent dier heeft een normaal functionerend immuun systeem.
Enkele voorbeelden van zoöpathogenen: het mond- en klauwzeervirus,
het vogelgriepvirus, het blauwtongvirus of het varkenspestvirus.
Nota's
1 Ministeriële omzendbrief van 04.08.2005
aangaande het bijzonder rampenplan voor hulpverlening betrefende het
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen.
2 Deze persoon is aangeduid door de exploitant.
Dit is een wettelijke verplichting volgens de regionale besluiten betreffende
het ingeperkt gebruik van pathogenen en/of GGMs.
3 Mond-en klauwzeer is niet overdraagaar
opp de mens. Deze gemakkellijk overdraagbare ziekte kan enkel ingedijkt
worden door het systematisch slachten vaan alle (mogelijk) besmette
dieren, wat enorme economische gevolgen heeft voor de veesector.
Referenties
(1) - Arrêté du Gouvernement wallon
du 4 juillet 2002 déterminant les conditions sectorielles relatives
aux utilisations confinées d'organismes génétiquement
modifiés ou pathogene
- Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001
betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of
pathogene organismen en betreffende de indeling van de betrokken installaties
- Besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 2004 tot wijziging
van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende
vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning,
en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende
algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
(2) Europese richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26
oktober 1998 tot wijziging van Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt
gebuik van genetisch gemodificeerde micro-organismen.
(3) Samenwerkingsakkoord
van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende
de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid.
(4) Belgian Biosafety Server, Biological Risk Assessment Sheets : Practical examples of risk Assessement and Biosafety Recommendations for the Contained Use of Genetically Modified (Micro-)Organisms.
(5) Europese richtlijn 89/656/EEG van de Raad van
30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid
en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen
door de werknemers.
(6) Final report on potential breaches of biosecurity
at the Pirbright site 2007, Health and Safety Executive, http://www.hse.gov.uk/news/archive/07aug/footandmouth.htm,
geraadpleegd in 2008.
(7) MSDS,
geraadpleegd in 2008.